Het certificaat voor combinatietankschepen, bedoeld in artikel 6.6, tweede lid, onderdeel a, van de Havenverordening wordt uitsluitend door de gasdeskundige afgegeven nadat gebleken is dat:
de ruimten waarin vaste stoffen worden vervoerd of zullen worden vervoerd, geen brandbare vloeistoffen of restanten daarvan bevatten;
de andere ruimten, met uitzondering van de sloptanks:
leeg zijn van brandbare vloeistoffen en restanten daarvan;
een inerte atmosfeer onder positieve druk bevatten, of;
een gasvrije atmosfeer bevatten;
de sloptanks gescheiden zijn van de in onderdeel a bedoelde ruimten door ten minste één ruimte die leeg is van brandbare vloeistoffen of restanten daarvan, en;
de vrije ruimte boven de ladingrestanten van brandbare vloeistoffen in de sloptanks gevuld is met inert gas onder positieve druk.