Aan de Havenmeester wordt mandaat verleend te beslissen omtrent:
de actieve en passieve openbaarmaking van documenten op basis van de Wet openbaarheid van bestuur, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van de taken en bevoegdheden, die krachtens deze overeenkomst aan de Havenmeester zijn gemandateerd;
de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van de taken en bevoegdheden, die krachtens deze overeenkomst aan de Havenmeester zijn gemandateerd;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 6, eerste lid, 7, eerste lid, en 8 van de Scheepvaartverkeerswet, voor zover die bevoegdheden zijn toegekend aan het college;
het uitoefenen van de bevoegdheden uit hoofde van de Wrakkenwet;
het uitoefenen van de bevoegdheden uit hoofde van de Waterstaatswet 1900;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 1.3 van de Havenverordening Rotterdam 2004 in samenhang met de artikelen 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 2.6, 3.1, 3.2, 4.1, vierde lid, 4.3, 4.4, 4.5, 5.2.1, 5.2.3, 5.3.2, 5.4.2, 5.4.3, 5.4.6, 6.3, 6.4, derde lid, 6.6, 7.2, 7.3, 7.4, en 8.1 van die verordening voor zover het wateren betreft die in beheer zijn van Havenbedrijf Rotterdam N.V.;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 1.2, eerste lid, en 9.1, vierde lid, van het Havenreglement gevaarlijke stoffen 2007;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de Verordening kadegeld;
het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in de Verordening woon- en bedrijfsschepen voor zover het wateren betreft die in beheer zijn van Havenbedrijf Rotterdam N.V.