In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
onder:
a.
wet:
de Huisvestingswet;
b.
besluit:
het Huisvestingsbesluit;
c.
Rotterdamwet:
de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke
problematiek;
d.
minister:
de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
e.
woonruimte:
besloten ruimte, die al dan niet tezamen met een of
meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor
bewoning door een huishouden;
f.
zelfstandige woonruimte:
een woonruimte welke een eigen toegang heeft en
welke door een huishouden kan worden bewoond zonder
dat die daarbij afhankelijk is van wezenlijke
voorzieningen buiten die woonruimte;
g.
onzelfstandige woonruimte:
woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor
inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke
niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder
dat die daarbij afhankelijk is van wezenlijke
voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als
wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt keuken en
toilet;
h.
kamer:
elke afzonderlijke ruimte in een woonruimte,
geschikt voor wonen en slapen met een oppervlakte
van ten minste 6 m²;
i.
inwoning:
het bewonen van een deel van een woonruimte die
door een ander huishouden als hoofdbewoner in
gebruik is genomen;
j.
kamerverhuur:
de verhuur van een deel van al dan niet
zelfstandige woonruimte ten behoeve van langdurige
bewoning aan personen, voor welke bewoning
inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie
als bedoeld in de Wet gemeentelijke
basisadministratie persoonsgegevens noodzakelijk is;
k.
huisvestingsvergunning:
de vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid,
van de wet;
l.
huishouden:
1 o.
alleenstaande;
2 o.
twee of meer personen die, onmiddellijk voorafgaand
aan de aanvraag van de huisvestingsvergunning,
volgens de gemeentelijke basisadministratie
gezamenlijk gedurende één jaar aansluitend op een
zelfde adres staan ingeschreven;
3o.
twee of meer personen die ten genoegen van
burgemeester en wethouders hebben aangetoond, dat
zij een gemeenschappelijke huishouding willen
voeren;
m.
huurprijs:
de rekenhuur, bedoeld in artikel 5 van de Wet op de
huurtoeslag;
n.
huurprijsgrens:
de huurprijsgrens, bedoeld in artikel 5 van de Wet
op de huurtoeslag;
o.
inkomen:
het norminkomen, bedoeld in artikel 14 van de Wet
op de huurtoeslag;
p.
ingezetene:
degene die in de gemeentelijke basisadministratie
van één van de gemeenten in de regio is opgenomen en
feitelijk aldaar hoofdverblijf heeft in een voor
permanente bewoning aangewezen woonruimte;
q.
bereidverklaring:
de schriftelijke verklaring van of namens de
eigenaar, dat hij bereid is de woonruimte aan de
aanvrager van de huisvestingsvergunning in gebruik
te geven;
r.
eigenaar:
de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid,
van de wet;
s.
onttrekkingsvergunning:
de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste
lid, van de wet;
t.
stadsvernieuwings- of herstructureringplan:
een door burgemeester en wethouders bepaald
grootschalig bouw- en verbouwproject, waarvan de
uitvoering en uitplaatsing van huishoudens binnen
één jaar zal plaatsvinden;
u.
toegelaten instellingen:
verenigingen en stichtingen werkzaam in het belang
van de volkshuisvesting als bedoeld in artikel 70,
eerste lid, van de Woningwet;
v.
splitsing:
splitsing in appartementsrechten of de verlening
van deelnemings- of lidmaatschapsrechten, als
bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid van de
wet;
w.
splitsingsvergunning:
de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de wet;
x.
stadsregio:
het grondgebied van de gemeenten Albrandswaard,
Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den
IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel,
Lansingerland (Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs,
Bleiswijk), Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam,
Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen,
Westvoorne.
HOOFDSTUK 1
Artikel 1.1.
Begripsbepalingen
Onderdeel van Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam