Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 1

Artikel 1.1.

Begripsbepalingen

Onderdeel van Huisvestingsverordening aangewezen gebieden Rotterdam

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. wet: de Huisvestingswet; b. besluit: het Huisvestingsbesluit; c. Rotterdamwet: de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek; d. minister: de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; e. woonruimte: besloten ruimte, die al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden; f. zelfstandige woonruimte: een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat die daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte; g. onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat die daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte, waarbij als wezenlijke voorzieningen worden aangemerkt keuken en toilet; h. kamer: elke afzonderlijke ruimte in een woonruimte, geschikt voor wonen en slapen met een oppervlakte van ten minste 6 m²; i. inwoning: het bewonen van een deel van een woonruimte die door een ander huishouden als hoofdbewoner in gebruik is genomen; j. kamerverhuur: de verhuur van een deel van al dan niet zelfstandige woonruimte ten behoeve van langdurige bewoning aan personen, voor welke bewoning inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie als bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noodzakelijk is; k. huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet; l. huishouden: 1 o. alleenstaande; 2 o. twee of meer personen die, onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag van de huisvestingsvergunning, volgens de gemeentelijke basisadministratie gezamenlijk gedurende één jaar aansluitend op een zelfde adres staan ingeschreven; 3o. twee of meer personen die ten genoegen van burgemeester en wethouders hebben aangetoond, dat zij een gemeenschappelijke huishouding willen voeren; m. huurprijs: de rekenhuur, bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag; n. huurprijsgrens: de huurprijsgrens, bedoeld in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag; o. inkomen: het norminkomen, bedoeld in artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag; p. ingezetene: degene die in de gemeentelijke basisadministratie van één van de gemeenten in de regio is opgenomen en feitelijk aldaar hoofdverblijf heeft in een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte; q. bereidverklaring: de schriftelijke verklaring van of namens de eigenaar, dat hij bereid is de woonruimte aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning in gebruik te geven; r. eigenaar: de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet; s. onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; t. stadsvernieuwings- of herstructureringplan: een door burgemeester en wethouders bepaald grootschalig bouw- en verbouwproject, waarvan de uitvoering en uitplaatsing van huishoudens binnen één jaar zal plaatsvinden; u. toegelaten instellingen: verenigingen en stichtingen werkzaam in het belang van de volkshuisvesting als bedoeld in artikel 70, eerste lid, van de Woningwet; v. splitsing: splitsing in appartementsrechten of de verlening van deelnemings- of lidmaatschapsrechten, als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid van de wet; w. splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de wet; x. stadsregio: het grondgebied van de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Bernisse, Brielle, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland (Bergschenhoek, Berkel en Rodenrijs, Bleiswijk), Maassluis, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vlaardingen, Westvoorne.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel