Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 15

Besluit zorgaanspraken AWBZ

Onderdeel van Beleidsregels Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Kapelle 2011

Voor zover gepaard gaande met verblijf in dezelfde instelling, omvat de zorg tevens: geneeskundige zorg van algemeen medische aard, niet zijnde paramedische zorg; farmaceutische zorg; hulpmiddelen, noodzakelijk in verband met de in de instelling gegeven zorg; tandheelkundige zorg; kleding, verband houdende met het karakter en de doelstelling van de instelling; het individueel gebruik van een rolstoel. De zorg, bedoeld in het eerste lid, aanhef, omvat niet het verkrijgen van onderwijs, kleedgeld en zakgeld. Dat betekent dat de combinatie verblijf en behandeling, ontvangen in dezelfde instelling, het verblijf in een ziekenhuis en het verblijf in een revalidatiecentrum redenen zijn om een rolstoel uit de AWBZ te ontvangen. Wie in een ziekenhuis of revalidatiecentrum bezig is terug te gaan naar huis zal uiteraard een rolstoel aanvragen in het kader van de Wmo. Indien AWBZ-bewoners in verzorgingshuizen of RIBW’s of gezinsvervangende tehuizen geen recht hebben op een AWBZ-rolstoel, en een individuele rolstoel nodig hebben dan dient de aanvraag voor een rolstoel eveneens te worden gedaan bij de gemeente. Door ontwikkelingen als extramuralisering zijn er steeds meer voorzieningen ontstaan waarbij het niet zonder meer duidelijk is of er sprake is van een toegelaten instelling. In die situatie zal moeten worden nagegaan of op betrokken persoon één of meer facetten van de werking van artikel 15 Bza van toepassing is. Hiernaar kan geïnformeerd worden bij de zorgaanbieder of bij het zorgkantoor. 5.4 Kindvoorzieningen In principe worden Wmo-voorzieningen voor gehandicapte kinderen op dezelfde wijze verstrekt als voorzieningen voor volwassen gehandicapten. Bij voorzieningen voor kinderen spelen echter ook de verzorging door de ouders en de groei van het kind een belangrijke rol bij de keuze voor de juiste voorziening. In verband hiermee worden de specifieke voorzieningen voor kinderen in deze paragraaf apart behandeld. In de Oosterschelderegio worden de voorzieningen meestal in huur verstrekt. Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt, dan worden slechts de meerkosten ten opzichte van een algemeen gebruikelijke voorziening vergoed. 5.4.1 Zitondersteuningselementen Gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderstoel kunnen zitten moeten vaak gebruik maken van zogenaamde zitondersteuningselementen. De kinderen brengen vaak een groot deel van de dag door in deze stoeltjes, zodat het gebruik ervan kan worden vergeleken met een rolstoel. De verstrekking ervan valt onder de Wmo. Als een dergelijke voorziening noodzakelijk is voor een rolstoel of wandelwagen, dan kunnen de kosten hiervan volledig worden vergoed. 5.4.2 Douche- en toiletstoelen Douche- en toiletstoelen die speciaal voor kinderen zijn ontwikkeld worden op dezelfde wijze verstrekt als de vergelijkbare voorzieningen voor volwassenen. 5.4.3 Auto- en fietszitjes Speciale zitjes voor gehandicapte kinderen in de auto of op de fiets vallen onder vervoersvoorzieningen en kunnen in het kader van de Wmo, meestal in combinatie met een zitondersteuningselement, worden verstrekt. De zitjes worden in principe in bruikleen verstrekt. Als een zitje in eigendom wordt verstrekt, dan worden slechts de meerkosten ten opzichte van een algemeen gebruikelijk zitje vergoed. Hierbij wordt uitgegaan van de Nibud- normbedragen. 5.4.4 Aangepaste box en aankleedtafel Deze voorzieningen kunnen onder de noemer van roerende woonvoorzieningen worden verstrekt. Omdat een box en aankleedtafel (commode) algemeen gebruikelijk zijn, komen alleen de meerkosten ten opzichte van de Nibud-normbedragen voor vergoeding in aanmerking. 5.4.5 Buggy/wandelwagen Zeer jonge kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn, kunnen worden vervoerd in een aangepaste buggy. Omdat deze voorziening ook voor niet-gehandicapte kinderen een normaal vervoermiddel is, wordt een buggy als algemeen gebruikelijk aangemerkt. Uitsluitend de meerkosten van een aangepaste buggy ten opzichte van een gewone buggy komen in aanmerking voor vergoeding. Bij het bepalen van de kosten van een gewone buggy wordt gebruik gemaakt van de Nibud-normbedragen. Als een buggy in bruikleen wordt verstrekt, wordt geen rekening gehouden met het normbedrag. Het ligt anders indien de buggy nodig is voor een ouder gehandicapt kind (ouder dan 3 jaar). Een buggy voor een kind van die leeftijd is niet algemeen gebruikelijk. In dat geval zal de gemeente een pgb of de voorziening in huur verstrekken. 5.4.6 Speelvoertuigen Kruipwagens zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Liggend op een kruipwagen kunnen deze kinderen zich met hun armen voortbewegen. Daarnaast zijn er speelmobielen, zoals een “Vliegende Hollander” waarmee het kind zich kan voortbewegen. Als sprake is van een medisch indicatie, dan kunnen ook deze voorzieningen worden verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel