Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.
Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt.
Bij het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, zoals bepaald in artikel 20, eerste lid, onderdeel a en b IOAW, en artikel 20, tweede lid, onderdeel a en b IOAZ, wordt conform deze verordening een maatregel opgelegd. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren.
Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Hoofdstuk
Artikel 2
Het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ 2012