Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Speelautomatenverordening Arnhem 1993

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: de Wet:de Wet op de Kansspelen (Stb. 1964, 483; laatstelijk gewijzigd bij wet van 3 december 1992, Stb. 394); speelautomaat: een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen; behendigheidsautomaat: een speelautomaat waarvan: het speelautomaat uitsluitend kan leiden tot een verlengde speelduur of het recht op gratis spellen; en het proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of en in welke mate de speelduur verlengd wordt of het recht op gratis spelen verkregen wordt; kansspelautomaat: een speelautomaat, die geen behendigheidsautomaat is; vergunning: de in artikel 30b van de Wet bedoelde vergunning voor het aanwezig hebben van één of meer speelautomaten; inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of c van de Drank- en Horecawet, indien daarvoor ingevolge die wet vergunning is verleend en deze nog van kracht is; een inrichting, waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en is ingeschreven bij het Bedrijfschap Horeca; laagdrempelige inrichting: een inrichting die het publiek niet in de eerste plaats pleegt te bezoeken voor het nuttigen van alcoholhoudende drank, maar voor andere doeleinden zoals bijvoorbeeld het kopen en nuttigen van geringe etenswaren, voor recreatie en/of sport; hoogdrempelige inrichting: een inrichting die geen laagdrempelige inrichting is; -ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel