De wethouder, die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente beschikt, heeft, ter beoordeling van het college, gedurende de periode dat de ontheffing als bedoeld in artikel 36a, tweede lid, van de Gemeentewet van kracht is aanspraak op vergoeding van:
reis- en pensionkosten overeenkomstig artikel 1 van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders met dien verstande dat de bovengrens van de pensionkostenvergoeding wordt beperkt tot 90% van de gemiddelde lokale tijdelijke huisvestings- en verblijfskosten;
verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder overeenkomstig artikel 2 van de ministeriële regeling als bedoeld in artikel 22, tweede lid, van het Rechtspositiebesluit wethouders.
Artikel 9
Reis- , pension- en verhuiskosten
Onderdeel van Verordening onkostenvergoedingen wethouders 2006