In de dagelijkse praktijk blijkt dat het niet eenvoudig is om onderscheid te maken tussen
verschillende soorten detailhandel. In de ruimtelijke ordening is de definitie van detailhandel zoals
deze door het NIROV[1] wordt gehanteerd, algemeen geaccepteerd. Deze definitie luidt:
"Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen
en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of
aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit"
In de praktijk wordt de gemeente vaak geconfronteerd met verzoeken van ondernemers die
verkoopactiviteiten willen uitoefenen op locaties buiten de normale winkelcentra. Indien er sprake is
van groothandel of verkoop aan andere bedrijven is er geen probleem. Hiervoor zijn er immers de
bedrijven- en handelsterreinen.
Als de verkoop plaatsvindt aan particulieren is er volgens bovenstaande definitie echter sprake van
detailhandel. De vestiging van detailhandel is, uitzonderingen daar gelaten, niet wenselijk op
bedrijventerreinen. Ten eerste is er de concurrentie met de bestaande winkelstraten. Op deze
winkelstraten zijn de huurprijzen hoger en zijn er minder parkeerplaatsen. Toch is het
maatschappelijk en ruimtelijk gezien wenselijk dat deze traditionele winkelstraten blijven bestaan.
Redenen zijn hiervoor onder meer: toenemen van het aantal autokilometers, verdwijnen van de
kleine ambachtelijke ondernemers, verdwijnen van de "winkel-om-de-hoek, waarna ook de gezellige
drukte die zo kenmerkend is voor de traditionele winkelstraten verdwijnt.
Ten tweede kent de detailhandel een heel andere dynamiek dan bedrijven die zich normaal op
bedrijventerreinen bevinden. Detailhandel moet het in tegenstelling tot de groothandel niet hebben
van de verkoop van producten in grote hoeveelheden aan andere bedrijven, maar moet het hebben
van de verkoop van kleine hoeveelheden aan zoveel mogelijk klanten. Inherent hieraan is dat
detailhandel veel verkeer aantrekt bovenop het al aanwezige (vrachtverkeer en dat er veel
parkeerplaatsen nodig zijn. Bedrijventerreinen zijn hier doorgaans niet op ingericht, waardoor er
problemen ontstaan in de verkeersafwikkeling en parkeermogelijkheden. Productiebedrijven kunnen
daarnaast overlast veroorzaken in de vorm van geur, geluid en visuele overlast. Op bedrijventerrein
moeten deze productiebedrijven normaal kunnen functioneren zonder zich druk te hoeven maken
over overlast op of door het winkelende publiek.
Aan de andere kant zijn er ook argumenten om soepeler om te gaan met de verzoeken om
detailhandel op perifere locaties toe te staan. Al sinds de jaren 70 is het toegestaan om auto's, boten,
caravans, en brand- en explosiegevaarlijke goederen te verkopen op perifere locaties. Na verloop van
tijd kwamen daar om praktische redenen de meubelwinkels, tuincentra en bouwmarkten bij. Het
aantal perifere branches dat zich op grond van het provinciale beleid mag vestigen op
bedrijventerreinen is nog niet zo lang geleden nog een keer uitgebreid met o.a. tenten en
vloerbedekking.
Een aantal autonome (marktontwikkelingen van de laatste jaren heeft er ons toe gebracht om het
detailhandelsbeleid op te stellen. Deze marktontwikkelingen zijn:
I: Verschuiving in geleverde diensten en producten
Een bakker valt onder definitie detailhandel. Wat gebeurt er als diezelfde bakker belegde broodjes
gaat verkopen en/of hij gelegenheid biedt om in de bakkerszaak deze broodjes ter plekke te nuttigen.
Is er dan nog sprake van detailhandel, of verschuift de activiteit dan langszaam naar horecaactiviteiten?
En wat is dan het (ruimtelijke) verschil met een pizzabezorgdienst en een cafetaria?
2; Ondergeschikte detailhandel
Het wordt steeds normaler dat productiebedrijven de producten, die zij voorheen alleen leverden aan
tussenhandel en winkels, ook rechtstreeks leveren aan eindgebruikers. Deze bedrijven zitten meestal
op bedrijventerreinen of in het buitengebied (agrariërs). Het beleid is echter om op dit soort locaties
(in beginsel) geen detailhandel toe te staan. En als het wel wordt toegestaan, hoe moet er dan
worden omgegaan met verzoeken van ondernemers met een echt detailhandelsbedrijf, moeten die
dan beperkt worden tot duurdere locaties binnen de bestaande winkelstructuur?
3: Branchevervaging
Bouwmarkten verkopen steeds vaker televisies, tuincentra verkopen huisdieren of bieden zelfs
cursussen aan. Moet daar handhavend tegen worden opgetreden, of is dat vechten tegen een
maatschappelijke ontwikkeling die toch niet meer te keren valt?
4: Internetverkoop
Veel startende ondernemers en part-time ondernemers verkopen producten vanuit de woning,
waarbij het internet of een verkoopbrochure feitelijk de showroom is. Volgens de letter van de wet is
er sprake van detailhandel, maar door het ontbreken van een showroom heeft het feitelijk een heel
andere uitstraling.
5: Provinciaal/ stadsregionaal beleid
Tot slot is er nog het provinciaal beleid. Dit beleid maakt voor de uitoefening van detailhandel op
bedrijventerreinen een uitzondering voor bepaalde branches, die door hun omvang of de aard van
hun producten niet geschikt zijn om onder te brengen in een gewone winkelstraat. Dit beleid wordt
steeds ruimer. In hoeverre moet hierin worden meegegaan?
Gelet hierop hebben wij besloten om beleid vast te stellen t.b.v. de toetsing van aanvragen voor de
vestiging van een detailhandelsbedrijven buiten de traditionele winkelstructuur. Wij verwachten dat
hiermee nog beter invulling kunnen geven aan de doelstelling "het juiste bedrijf op de juiste plaats"
alsmede met de doelstelling uit de kadernota economie: het behouden van voldoende kwalitatief
passende bedrijfslocaties t.b.v. behoud en doorgroei van gewenste bedrijvigheid.
[1] Op de Zelfde Leest II, NIROV, p.112m, 1996