Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Aanvraag en toekenning studiefaciliteiten

Onderdeel van Regeling opleiden, ontwikkelen en studiefaciliteiten 2009

1.. Het bestuursorgaan kan met toepassing van de Regeling opleiden, ontwikkelen en studiefaciliteiten 2009– voor zover het belang van de afdeling of dienstonderdeel en het vastgestelde opleidingsbudget dit toelaat – aan een medewerker op diens verzoek studiefaciliteiten toekennen. 2.. Deze aanvraagprocedure is niet van toepassing voor een seminar/studiedag of voor opleidingen en trainingen die het bestuursorgaan vanuit opleidingsnoodzaak zelf organiseert. 3.. De medewerker die voor studiefaciliteiten in aanmerking wenst te komen, dient het volledig ingevulde aanvraagformulier met bewijsstukken, daartoe in vóór aanvang van de opleiding. 4.. De medewerker verklaart bij de indiening van het verzoek op de hoogte te zijn van de “Regeling opleiden, ontwikkelen en studiefaciliteiten 2009” en akkoord te gaan met de voorwaarden zoals gesteld in deze regeling en de afspraken zoals overeengekomen met de leidinggevende en/of vastgelegd in het persoonlijk ontwikkelingsplan. 5.. De aanvraag wordt niet in behandeling genomen wanneer de aanvraag niet is ondertekend door de medewerker en is mede ondertekend door de leidinggevende. 6.. Met de opleiding kan niet eerder worden gestart dan nadat het bestuursorgaan schriftelijk studiefaciliteiten heeft verleend. 7.. Het bestuursorgaan kan, alvorens studiefaciliteiten te verlenen, een studieadvies of in bijzondere gevallen – na overleg met de medewerker – een psychologisch- en/of loopbaanadvies (met een assessment) inwinnen. Tenzij deze adviezen worden ingewonnen op uitdrukkelijk verzoek van de medewerker komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van het bestuursorgaan. 8.. Studiefaciliteiten worden verleend voor een bepaalde termijn, die wordt afgeleid van de normaal te achten duur van de opleiding. Het bestuursorgaan kan deze termijn verlengen. 9.. Verleende studiefaciliteiten kunnen, al dan niet tijdelijk, worden ingetrokken als het bestuursorgaan op grond van de verkregen informatie van oordeel is dat de medewerker aantoonbaar nalatig is, c.q. lessen niet aanwezig is en niet in die mate studeert en/of vorderingen maakt, dat hij in staat kan worden geacht de opleiding binnen in het achtste lid bedoelde termijn te voltooien. De intrekking gebeurt niet als de medewerker aannemelijk maakt dat deze omstandigheden niet aan zichzelf te wijten zijn. 10.. In geval van functiewijziging of ontslag van de medewerker beoordeelt het bestuursorgaan het al dan niet voortzetten van de verleende studiefaciliteiten en het toepassen van de terugbetalingsregeling op grond van artikel 7 van deze regeling naar redelijkheid en billijkheid. 11.. Als de medewerker niet slaagt voor het eindexamen, c.q. het vereiste diploma niet behaald voor een opleiding in het kader van een opleidingsnoodzaak, beoordeelt het bestuursorgaan de situatie en kan de verleende studiefaciliteiten verlengen en de medewerker één of meerdere examenherkansingen laten doen. Het opleidingsinstituut wordt daarbij om advies gevraagd.

Rechtspraak bij dit artikel