De toeslag zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en voor de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft en dientengevolge de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen.
De toeslag zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder die met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft en dientengevolge de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan kan delen.
Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met:
niet ten laste komende kinderen jonger dan 21 jaar met een inkomen van ten hoogste de norm als bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel a van de wet vermeerderd met 10 procent van de gehuwdennorm;
meerderjarige kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet tegemoetkoming studiefinanciering 2000;
meerderjarige kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
verzorgingsbehoevenden die door belanghebbende worden verzorgd.
Hoofdstuk
Artikel 3
Toeslag alleenstaande (ouder)
Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen Wet Werk en Bijstand 2012