**1..** Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan.
**2..** De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.
**3..** De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.
Paragraaf 5 Bruikbaarheid van de weg
Artikel 2.1.5.1 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg
Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
Het is verboden voorwerpen uit te stallen op of boven de weg.
Onder uitstalling wordt verstaan: een los element dat voor of in de directe omgeving
van een pand in de openbare ruimte wordt geplaatst dan wel aanwezig is om al dan niet de aandacht te vestigen op een winkel of onderneming die in het pand gevestigd is.
Het verbod geldt niet voor:
vlaggen, wimpels of vlaggenstokken, indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits:
– geen onderdeel zich minder dan (2,5) meter boven dat gedeelte bevindt; en
geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan (0,5) meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt;
geen onderdeel verder dan (1,5) meter buiten de opgaande gevel reikt mits de inrichting van de weg dat toelaat;
de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is;
voertuigen;
voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;
evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;
terrassen als bedoeld in artikel 2.3.1.2, vijfde lid;
standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.
Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:
deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg;
gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of;
een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de
bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;
b.indien het beoogde gebruik hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;
c in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.
a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement;
De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin
geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet;
De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;
De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2.1.5.2 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.
Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak.
Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Provinciaal wegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.
Paragraaf 6 Veiligheid van de weg
Artikel 2.1.6.1 Veroorzaken van gladheid
1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.
2 Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.1.6.2 Winkelwagentjes
De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.
Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf is gelegen in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.
Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen of zichtbaar bestemde plaats.
Het in lid 1, 2 en 3 gestelde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Het college kan met betrekking tot het in dit artikel gestelde nadere regels stellen.
Artikel 2.1.6.3 Hinderlijke beplanting of voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2.1.6.4 Openen straatkolken e.d.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolinspectieput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2.1.6.5 Kelderingangen e.d.
Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.1.6.6 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1.Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.
2 Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.
Artikel 2.1.6.7 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp
1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,5 meter boven dat gedeelte van de weg.
2 Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.
Daar waar schrikdraden van een weg af aangeraakt kunnen worden, dienen voldoende waarschuwingsborden aangebracht te worden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2.1.6.7a Gevaarlijke voorwerpen
1.Het is verboden op door het college aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen.
2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV zoals benoemd in de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde en veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.
Artikel 2.1.6.8 Vallende voorwerpen
Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.
Artikel 2.1.6.9 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
2 Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren.
Het verbod in het vierde lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2.1.6.10 Objecten onder hoogspanningslijn
1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.
2 Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.
3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.
Artikel 2.1.6.11 Veiligheid op het ijs
Het is verboden:
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht of de Wegenverordening provincie Limburg 1989 van toepassing is.
Afdeling 2 Toezicht op evenementen
Artikel 2.2.1 Begripsomschrijving
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
bioscoopvoorstellingen;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.2.4 van deze verordening;
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2.1, 2.1.4.1, 2.1.4.2, 2.1.4.3 en 2.3.3.1 van deze verordening.
2 Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid.
Artikel 2.2.2 Evenement
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
het voorkomen of beperken van overlast;
de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
de zedelijkheid of gezondheid.
Artikel 2.2.2a Betaald voetbalwedstrijden
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder organisator verstaan de betaald voetbal organisatie Fortuna-Sittard of, indien het gaat om een wedstrijd tussen betaald voetbal organisaties uit andere gemeenten of tussen vertegenwoordigende elftallen, de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond.
De organisator van een voetbalwedstrijd is verplicht ten laatste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. In, door de burgemeester te bepalen, bijzondere gevallen geldt een termijn van zeven dagen.
De kennisgeving als bedoeld in het tweede lid bevat een opgave van het verwachte aantal toeschouwers en bevat een omschrijving van de wanordelijkheden welke redelijkerwijs kunnen worden tegemoet gezien.
De kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.
De burgemeester kan het spelen of doen spelen van een voetbalwedstrijd, bedoeld in het tweede lid, verbieden:
uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde;
indien geen of niet tijdige schriftelijke kennisgeving als bedoeld in het tweede lid is gedaan.
Het is verboden een voetbalwedstrijd, bedoeld in het tweede lid, te spelen of te doen spelen wanneer een verbod als bedoeld in het vijfde lid is uitgevaardigd.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en of veiligheid met betrekking tot een voetbalwedstrijd, bedoeld in het tweede lid, voorschriften geven.
Artikel 2.2.2b Stadionomgevingsverbod
De burgemeester is bevoegd het gebied aan te wijzen waarvoor het stadionomgevingsverbod geldt.
De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion van BVO Fortuna Sittard van vier uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip tot twee uur na afloop van voetbalwedstrijden van de in artikel 2.2.2a bedoelde organisator.
Artikel 2.2.2c Verwijderingsplicht voetbalsupporters
Personen, die zich, voor, tijdens of na de voetbalwedstrijd, door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters en tegen wie het vermoeden bestaat dat zij voornemens zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven.
Artikel 2.2.3 Ordeverstoring
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2.2.3a Evenementen
Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken.
Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen.
3 . Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen
Paragraaf 1 Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2.3.1.1 Begripsomschrijvingen
1.Onder horecabedrijf wordt in deze paragraaf verstaan:
een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, theehuis, clubhuis, automatieken, afhaalrestaurants, seksinrichtingenof daaraan verwante inrichtingen waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt.
Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
a. Inrichting: de lokaliteit waar het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij
behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van dranken, of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, welke al dan niet onderdeel uitmaakt van een andere besloten ruimte.
Lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van de inrichting.
Horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend
van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor
het verstrekken van dranken en spijzen voor directe consumptie.
Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt. Naast tafels en stoelen, worden vlonders, parasols, windschermen, terrasafscheidingen en andere gelijksoortige objecten geacht ook deel uit te maken van een terras.
Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan:
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt uitgeoefend (de ondernemer),
de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf (de bedrijfsleider),
de natuurlijke persoon die onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van het horecabedrijf (de beheerder).
6. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers:
a. de gezinsleden van de leidinggevende(n), alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;
de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
Strafrecht;
de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
Artikel 2.3.1.2 Exploitatie horecabedrijfArtikel 2.3.1.2Exploitatie horecabedrijf
Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
Voor het verkrijgen van een vergunning moet een schriftelijke aanvraag worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier.
Bij de aanvraag, bedoeld in het vorige lid, wordt ten minste:
opgaaf gedaan van de personalia en adres van de leidinggevende(n);
opgaaf gedaan van het adres en aard van het horecabedrijf;
overgelegd een nauwkeurige beschrijving van het horecabedrijf, waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan en een plattegrond van de inrichting;
overlegd een recente verklaring omtrent het gedrag, door iedere leidinggevende(n) (afgiftedatum uiterlijk drie maanden voor de datum indiening vergunningaanvraag), indien niet tevens een aanvraag is ingediend voor een vergunning krachtens artikel 3 Drank- en Horecawet.
Per horecabedrijf kan niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling worden genomen.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover zich deze op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Hieromtrent kunnen nadere regels gesteld worden.
Onverminderd het gestelde in artikel 2.3.1.4 kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren, dan wel intrekken:
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud
van de weg;
indien het gebruik in strijd is met een geldend bestemmingsplan;
indien de vrees gewettigd is dat ingebruikname van het terras het woon- en leefklimaat van
de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt;
indien sprake is van herinrichting en/of reconstructie van de openbare ruimte, waarbinnen
een (horeca)terras wordt uitgebaat;
indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet
aan redelijke eisen van welstand.
Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement van toepassing is.
Artikel 2.3.1.3 Beslistermijn
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 beslist de burgemeester binnen dertien weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen.
De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het eerste lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging.
Artikel 2.3.1.4 Weigeringsgronden
De burgemeester weigert de vergunning indien:
a. naar zijn oordeel door de aanwezigheid van het horecabedrijf het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;
b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan;
c. de leidinggevende(n) binnen 3 jaar voor de aanvraag een horecabedrijf heeft geëxploiteerd dat evenwel op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde gesloten is geweest;
d. sprake is van een concentratie van horecabedrijven in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat toeneemt;
het horecabedrijf gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van andersoortige horecabedrijven of winkels met een dusdanige andere bezoekersgroep, dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde-problemen tot gevolg heeft of tot gevolg dreigt te hebben;
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
door de leidinggevende(n) niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 8, lid 2 onder a (curatele) en b (slecht levensgedrag) en lid 3 (Besluit eisen zedelijk gedrag) van de Drank- en Horecawet geldende eisen, daar waar tevens sprake is van een aanvraag voor een vergunning ingevolge artikel 3 Drank- en Horecawet;
de leidinggevende(n) van een inrichting waarvoor geen drank- en horecavergunning is vereist, de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft/hebben bereikt;
door de leidinggevende(n) geen verklaring(en) omtrent het gedrag wordt/worden overlegd, die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven, daar waar niet tevens een aanvraag is ingediend voor een vergunning ingevolge artikel 3 Drank- en Horecawet.
Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met:
het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te
liggen;
de aard van het horecabedrijf;
de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door exploitatie van het horecabedrijf;
de wijze van bedrijfsvoering van de leidinggevende(n) van het horecabedrijf in deze of andere inrichtingen;
de wijze van exploitatie van de lokaliteiten in het verleden, voorzover de leidinggevende(n) onveranderd is/zijn gebleven.
Artikel 2.3.1.5 Intrekkingsgronden
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 Apv,
trekt de burgemeester de vergunning in:
indien ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt die zondanig onjuist of onvolledig blijken, dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest;
de omstandigheden op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dan wel de exploitatie van het horecabedrijf op een zodanige wijze plaatsvindt, dat het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving nadelig wordt beïnvloed;
indien zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde;
niet langer wordt voldaan aan het gestelde in artikel 8 lid 2 a en b lid 3 van de Drank- en Horecawet;
2. De burgemeester kan de vergunning intrekken indien,
de leidinggevende(n) van een inrichting toestaat(n) dan wel gedoogt(en) dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;
sprake is van een gewijzigde exploitatie (aard en vorm van exploitatie) waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;
de leidinggevende(n) in strijd handelt(en) met het bij of krachtens artikel 2.3.1.7 (sluitingsuren) bepaalde;
de aan de vergunning verbonden voorwaarden en beperkingen niet zijn of worden nagekomen dan wel anderszins in strijd met wettelijke voorschriften wordt of is gehandeld;
Artikel 2.3.1.6 Vervalgronden
De vergunning vervalt indien:
sedert haar verlening onherroepelijk is geworden, zes maanden zijn verlopen zonder dat handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
gedurende een jaar anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning;
de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.
Artikel 2.3.1.7 Sluitingstijden
1.Het is de houder van een horecabedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
op maandag tot en met donderdag tussen 02.00 en 07.00 uur, en op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur.
In afwijking van het eerste lid is het de houder van een horecabedrijf verboden terrassen voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven:
binnen een horecaconcentratiegebied tussen 02.00 uur en 08.00 uur; of
buiten een horecaconcentratiegebied van maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 08.00 uur;
buiten het horecaconcentratiegebied op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 08.00 uur;
De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf of daartoe behorend terras.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Artikel 2.3.1.8 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.7 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.
Artikel 2.3.1.9 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2.3.1.7 of ingevolge een op grond van artikel 2.3.1.8 genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.
Artikel 2.3.1.10 Ordeverstoring
Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.
Artikel 2.3.1.11 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.1.2 tot en met 2.3.1.8.
Paragraaf 2 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2.3.2.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;
houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.
Artikel 2.3.2.2 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2.3.2.3 Nachtregister
De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van
Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.
Artikel 2.3.2.4 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van de inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.
Paragraaf 3 Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2.3.3.1 Speelgelegenheden
1.In deze paragraaf wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op:
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend;
speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel
bevoegd is vergunning te verlenen;
speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als
bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de Kansspelen te verrichten.
De burgemeester weigert de vergunning:
indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving
van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid.
b.indien de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Afdeling 4 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2.4.1 Betreden gesloten woning of lokaal
Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.
De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 1 › Paragraaf 4
Artikel 2.1.4.3
Straatartiest
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening gemeente Sittard-Geleen 2008 versie 2, 9e wijziging
Verwijzingen
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 427
- Artikel 2
- artikel 160
- Artikel 2
- artikel 5
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 1
- artikel 429
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- artikel 427
- artikel 8
- artikel 5
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 8
- Artikel 2
- artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 174 van de Gemeentewet
- artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 2
- Artikel 2
- artikel 13b van de Opiumwet
- artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 7c van de Wet op de kansspelen
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 30c
- Artikel 2