De aangevraagde voorziening wordt door de CRvB niet als algemeen gebruikelijk beschouwd als deze wordt aangevraagd in de volgende situaties:
in situaties van acute aard, waarin beperkingen tot plotselinge vervanging van een voorheen adequate voorziening noopt (hiervoor is extern advies noodzakelijk);
waarbij de nieuwe voorziening specifiek op de handicap van de betrokkene is toegesneden;
wanneer het inkomen onder de 100% bijstandsnorm ligt.
Slechts in bijzondere omstandigheden kunnen ‘de voorziening voor de persoon als aanvrager’ dus niet algemeen gebruikelijk maken. Het moet dan gaan om een plotselinge, dringende, medische noodzaak. Als richtlijn wordt hierbij aangehouden dat de aanvraag gedaan dient te zijn binnen 1 jaar na vaststelling door een medicus van de ziekte of gebrek.
Het college zal per aanvraag onderzoeken of maatwerk in de vorm van het verstrekken van een compenserende voorziening noodzakelijk is of dat de voorziening kan worden afgewezen op grond van algemeen gebruikelijkheid.
Hoofdstuk 1
Artikel 2.3
uitzonderingen op algemeen gebruikelijkheid
Onderdeel van Beleidsregels Wmo 2012 Olst-Wijhe