De nieuwe wet kent drie verschillende invalshoeken om archeologie in het ruimtelijk ordeningsproces te verankeren. Voor alle drie geldt dat ze consequenties (kunnen) hebben voor de gemeente. Men onderscheidt de volgende regimes:
Een regime voor m.e.r.-plichtige projecten. Het regime voor m.e.r.-plichtige projecten vindt zijn rechtvaardiging in de grootschaligheid van de daarmee gepaard gaande bodemverstoring. In die situatie is de initiatiefnemer gehouden om te toetsen of het aspect archeologie in het geding is en zonodig nader onderzoek te laten doen om kennisleemtes aan te vullen.
Een regime voor ontgrondingen. De ontgrondingen zijn vanwege hun aard zodanig destructief, dat altijd voorafgaand archeologisch onderzoek zal moeten worden verricht.
Een regime voor bouwen en het anderszins uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestemmingsplannen of in het kader van vrijstellingen. Ook bodemverstoringen als gevolg van bouwen of het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van een bestemmingsplan kunnen immers het bodemarchief aantasten.
Vooral het laatste regime is voor de gemeente Barendrecht van belang. Het huidige wetsvoorstel schrijft namelijk voor (artikel 38a, lid 1) dat de gemeenteraad bij de vaststelling van bestemmingsplannen en bij de bestemmingen van de in het plan begrepen grond rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
5.
Artikel 5.2
Archeologische belangen inbrengen in bestemmingsplannen
Onderdeel van Beleidsnota archeologische monumentenzorg van de gemeenten Barendrecht