Lid 1 onder a
Onder a geeft aan dat in geval een voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is, geen voorziening wordt toegekend. Een door de aanvrager gevraagde voorziening is algemeen gebruikelijk voor een persoon als de aanvrager indien een persoon zonder beperking of probleem, die in vergelijkbare persoonlijke omstandigheden als de aanvrager verkeert, naar maatschappelijke maatstaf en redelijkerwijs de beschikking zou (kunnen) hebben over een dergelijke voorziening.
Waar de grens tussen wat algemeen gebruikelijk is en wat dat niet is precies getrokken moet worden zal afgemeten moeten worden aan algemeen maatschappelijke normen. In het algemeen kan gesteld worden dat iets algemeen gebruikelijk is indien het niet speciaal voor personen met beperkingen of problemen is, gewoon te koop is en niet duurder is dan soortgelijke producten. Zo is bijvoorbeeld een normale fiets algemeen gebruikelijk, omdat in Nederland een ieder geacht kan worden te beschikken over zo’n fiets. Om die reden komt de persoon met beperkingen niet voor zo’n fiets in aanmerking.
Het college kan ter uitvoering van deze verordening in beleidsregels nadere invulling geven aan het begrip algemeen gebruikelijk.
Lid 1 onder b
In lid 1 onder b wordt aangegeven dat voorzieningen niet worden verstrekt indien er een andere Wettelijke regeling bestaat, op grond waarvan men aanspraak kan maken op de aangevraagde voorziening.
Lid 1 onder c
In de Wet is, in tegenstelling tot de situatie bij de Wet voorzieningen gehandicapten, geen specifieke bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de Wet spreekt over ingezetenen. Onder c moet opgenomen worden om te voorkomen dat er aanvragen binnenkomen bij de gemeente van aanvragers die niet in de gemeente woonachtig zijn.
Lid 1 onder e
In sommige gevallen gebruikt iemand al geruime tijd een voorziening en vraagt deze na het optreden van een beperking een vergoeding voor deze voorzieningen aan. Aangezien de voorziening valt onder het normale bestedingspatroon van de persoon met beperkingen, zijn er in dit geval geen directe meerkosten voor deze persoon.
Lid 1 onder f
Onder f doelt op de situatie dat de aanvrager een voorziening realiseert dan wel zich een voorziening verschaft voordat deze door het college is toegekend. Afwijzing op deze grond volgt indien niet meer achterhaald kan worden of de aangebrachte voorziening noodzakelijk, adequaat en passend is. In beginsel mag dus niet eerder dan nadat het college een beslissing over de aanvraag voor een voorziening heeft genomen een aanvang worden gemaakt met de werkzaamheden dan wel tot aanschaf worden overgegaan. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit genomen over de te treffen voorziening. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopste adequate voorziening beschouwen.
Lid 1 onder g
In onder g wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd wordt als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de aanvrager te verwijten is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid. Het moge duidelijk zijn dat deze regeling niet geldt indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen verhalen. Indien in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
HOOFDSTUK 1 › Paragraaf 2
Artikel 5