Verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien:
1.
Op grond van aanwijzingen die tijdens de indicatie duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben met het omgaan met een persoonsgebonden budget.
2.
De verzekerde op de dag waarop de subsidieperiode zou aanvangen (anders dan bij een kortdurend verblijf) in een instelling bedoeld in de AWBZ of de zorgverzekeringswet verblijft.
3.
De gemeente, op advies van een instelling voor maatschappelijk werk of de Raad voor de kinderbescherming, van oordeel is dat een ten behoeve van een minderjarige aangevraagd budget in zodanige mate niet voor de inkoop van diensten ten behoeve van het kind zal worden gebruikt, dat dit mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding of ontwikkeling van de minderjarige tot gevolg zal hebben.
4.
Aanvrager zich bij een eerder toegekend persoonsgebonden budget niet aan de opgelegde verplichtingen heeft voldaan.
5.
Betrokkene een indicatie heeft voor Huishoudelijke Hulp 2 of thuisbegeleiding en er geen wettelijke vertegenwoordiger is die het pgb kan beheren, tenzij betrokkene HH2 krijg op basis van een visuele beperking.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 7
Afwijzingsgrond
Onderdeel van Uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke ondersteuning