De aanvraag wordt getoetst aan de weigeringsgronden opgenomen in artikel 2.12 van de (nieuwe) APV. Wanneer de vergunning niet in strijd is met de APV wordt deze verleend.
In dit geval is een aantal algemene voorwaarden van toepassing:
De bestratingwerkzaamheden ten behoeve van de uitwegen, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, worden, in principe, uitsluitend door of vanwege de gemeente uitgevoerd;
(Dit om te voorkomen dat de gemeente vroegtijdig onderhoud aan de uitrit moet plegen, door aanleg van de aanvrager zelf, die in veel gevallen niet vakbekwaam is)
Voor particulieren wordt maximaal één uitweg vergund, voor bedrijven maximaal twee;
Aan de uitritvergunning kunnen speciale voorwaarden worden verbonden met het oog op de bevordering van de verkeersveiligheid, groen- en milieuvoorzieningen;
Bijzondere omstandigheden voorbehouden zal met het verlenen van de uitritvergunning ook de toestemming voor het gebruik van de gemeentegrond (groenstrook e.d.) geacht worden te zijn verleend. Tevens kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere gevallen nadere voorwaarden stellen.