Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 4.2.

Vergunningverlening

Onderdeel van Beleidsnotitie Uitwegen

Volgens artikel 2:6 van de APV kan een vergunning geweigerd worden in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente Deze weigeringsgronden vormen de basis van het toetsingskader voor iedere aanvraag. a) de bruikbaarheid van de weg (voor zowel woningen als voor uitwegen naar bedrijven) Bij nieuwe wegen moet eerst bepaald worden welke wegcategorie van toepassing is, voordat een uitwegvergunning verleend kan worden; Op wegen welke in de wegencategorisering aangewezen zijn als erftoegangsweg type I en erftoegangsweg is een uitweg geen probleem, indien er geen andere weigeringsgrond aanwezig is. Op gebiedsontsluitingswegen moet terughoudend worden opgetreden met het verlenen van uitwegvergunningen, omdat het vanuit Duurzaam Veilig wenselijk is geen of zo weinig mogelijk aansluitingen op dergelijke wegen te hebben. Hoe meer uitwegen, hoe groter de onveiligheid. Uitwegen kunnen waar mogelijk op parallelwegen aangesloten worden. Wanneer voor de aanleg van een uitweg een openbare parkeerplaats dient te verdwijnen, wordt geen vergunning verleend. Indien een uitweg een watergang kruist, dient er nader advies dient gevraagd te worden bij de beleidsmedewerker Water en Afval. b) het veilig en doelmatig gebruik van de weg Uitwegen naar bedrijven en woningen Binnen een afstand van 5 meter vanaf een kruispunt dient terughoudend opgetreden te worden met het toestaan van een uitweg, aangezien het mogelijk is dat een verkeersveilige toetreding tot de openbare weg in gevaar is. Bij een etmaalintensiteit van ten minste 5.000 motorvoertuigen/etmaal op de doorgaande route wordt een uitweg binnen 5 meter van het kruispunt niet toegestaan; Bij het toestaan van uitwegen die gelegen zijn tegenover een zijstraat dient terughoudend te worden opgetreden, omdat zij mogelijk door een weggebruiker als vierde tak van het kruispunt worden herkend. Bij een etmaalintensiteit van ten minste 5.000 motorvoertuigen/etmaal op de doorgaande route wordt een uitweg tegenover een zijstraat niet toegestaan. Op 5 meter afstand vanaf de weg of fietsvoorziening moet het verkeer op deze weg c.q. fietsvoorziening vanaf de oprit voldoende zichtbaar zijn. Per geval wordt de zichtbaarheid gecontroleerd; Het realiseren van een uitweg heeft tot gevolg dat de parkeermogelijkheden op de openbare weg worden beperkt. Daarom worden enkel uitwegvergunningen verleend, indien de uitweg gebruikt wordt om het parkeren van een gemotoriseerd voertuig op eigen terrein mogelijk te maken; Vanaf de weg moet duidelijk herkenbaar zijn dat de uitweg leidt naar privéterrein. Een woning of bedrijf moet hierbij zichtbaar zijn. Indien er twijfel bestaat over de herkenbaarheid van de uitweg naar een privéterrein dient de uitweg aangelegd te worden volgens de CROW-richtlijnen (publicatie 68). Uitwegen naar woningen Bij nieuwbouw (en vaak ook bij bestaande bouw) is een uitweg toegestaan van maximaal 3,00 meter breed . Verbreding tot maximaal 5,50 meter is mogelijk in uitzonderlijke gevallen. Een mogelijk uitzonderlijk geval kan het bezit van een dubbele garage zijn. Uitzonderlijke gevallen moeten door de aanvrager van de uitwegvergunning beargumenteerd worden en worden per geval getoetst; Bij een dubbele uitweg naar twee woningen is de maximale breedte 6,00 meter. Het samenvoegen van twee aparte uitwegen tot één uitweg is dus alleen mogelijk als de totale breedte maximaal 6,00 meter is c.q. wordt; Bij woningen is in principe 1 uitweg per woning toegestaan. Uitzonderingen kunnen gemaakt worden bij brede woningen c.q. percelen. Onder brede woningen c.q. percelen wordt verstaan: percelen met woningen met een frontbreedte die gelijk is aan de frontbreedte van minimaal twee brede tussenwoningen. Als uitgangspunt is daarom een frontbreedte van minimaal 15 meter per woning aangenomen. Indien men twee uitwegen wenst, mogen deze maximaal 3,50 meter breed zijn per uitweg. De overige criteria mogen hierbij niet in het geding zijn. Een tweede uitweg zal extra zwaar getoetst worden op de criteria aangegeven in deze notitie. Uitwegen naar bedrijven Bij bedrijven is een 8 meter brede uitweg gebruikelijk. In het verleden zijn uitwegvergunningen verleend voor bredere uitwegen. Dit is echter niet wenselijk, omdat de duidelijkheid naar de weggebruiker toe hierdoor in het geding komt en de parkeergelegenheid op de openbare weg wordt beperkt. Bedrijven gebruiken als argument vaak dat zij ruimte nodig hebben om te keren en rangeren. Deze handelingen dienen waar mogelijk op eigen terrein plaats te vinden. Bij nieuwbouw zijn er daarom geen gronden om een bredere uitweg toe te staan . Bij grote bedrijfspercelen kunnen meerdere uitwegen toegestaan worden. Er kan gemiddeld een 8 meter brede uitweg toegestaan worden per 50 meter frontbreedte van het bedrijvenperceel. De onderlinge afstand tussen de diverse uitwegen van gemiddeld 8 meter breed bedraagt ten minste 50 meter. Bedrijven die een frontbreedte hebben van maximaal 50 meter kunnen volgens bovenstaande richtlijnen maximaal één uitweg hebben van 8 meter. Twee uitwegen, welke samen een breedte van maximaal 8 meter hebben, wordt toegestaan, mits er minimaal 6 meter tussen beide uitwegen aanwezig is en de frontbreedte van het perceel ten minste 30 meter bedraagt. Indien het een uitweg en uitrit (beide éénrichting) betreft, mogen deze op kortere afstand van elkaar gerealiseerd worden. In de uitvoering dient echter duidelijk naar voren te komen dat het twee aparte uitwegen zijn. De maximale breedte is 8 meter voor beide uitwegen samen. Om dubbele uitwegen met naastgelegen percelen te voorkomen, dienen uitwegen naar bedrijven ten minste 0,50 meter van de perceelsgrens af te liggen. c) de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving (geldt alleen voor uitwegen naar woningen) Een uitweg naar een zogenaamde tuinparkeerplaats is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat een uitweg alleen toegestaan wordt, als deze naast de woning is gelegen. Uitzondering is mogelijk indien ten minste 70% van de voortuin als zodanig in gebruik blijft. Indien van deze uitzondering gebruik gemaakt wordt, dient altijd een positief welstandsadvies afgegeven te zijn. d) de bescherming van de groenvoorziening in de gemeente Het is niet wenselijk dat openbare groenvoorzieningen, met name bomen verwijderd moeten worden voor een uitweg. Over het verwijderen van groenvoorzieningen dient nader advies gevraagd te worden bij de beleidsmedewerker Groen. Per geval wordt bekeken of het verwijderen van de groenvoorzieningen mogelijk is. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de Groenvisie van de gemeente. Er worden geen monumentale bomen verwijderd voor realisatie van een uitweg. Het zicht vanaf en op een uitweg moet voldoende zijn (zie criteria paragraaf 2.2). Indien groenvoorzieningen het zicht belemmeren, dient over het verwijderen van groenvoorzieningen nader advies gevraagd te worden bij de beleidsmedewerker Groen. Voor realisatie van een tweede uitweg bij woningen worden geen openbare groenvoorzieningen verwijderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel