Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Onderdeel van Beleidsregels voor het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie

Eigendom: het meest volkomen recht om over een zaak te beschikken. Bezit: het beschikken over de feitelijke macht over een zaak, met uitsluiting van anderen, met de wil de macht over die zaak voor zichzelf uit te oefenen. Beperkt recht: een recht dat geldt naast het eigendomsrecht. Voorbeelden zijn: vruchtgebruik, opstal en erfpacht. Recht van vruchtgebruik: het beperkte recht om van andermans zaak de vruchten te hebben, alsof men zelf eigenaar is. Dit recht eindigt door de dood van de vruchtgebruiker of door verloop van tijd. Recht van gebruik en bewoning: het beperkte recht om een onroerende zaak te gebruiken die men niet in eigendom heeft. Het eindigt op dezelfde manier als vruchtgebruik. Recht van opstal: het beperkte recht om gebouwen, werken of beplantingen op andermans grond in eigendom te hebben. Recht van erfpacht: het beperkte recht om gedurende een bepaalde of onbepaalde tijd het genot over een onroerende zaak te hebben. Appartementsgerechtigde:: de juridische benaming voor de eigenaar van een appartement. Natuurlijke persoon: de mens als rechtssubject. Een rechtssubject is een zelfstandige drager van rechten, verplichtingen en bevoegdheden. Niet-natuurlijke persoon: o.a. bedrijf, school, ziekenhuis, instelling, overheid en vrij beroep.

Rechtspraak bij dit artikel