1. De heffingsambtenaar legt een voorlopige aanslag op, als het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld dat naar zijn mening rechtvaardigt.
2. De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, of na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan:
a. voor de rioolheffing gebeuren op grond van de gegevens die zijn gebruikt voor de vaststelling van de laatste belastingaanslag over, of met betrekking tot het meest recente tijdvak of kalenderjaar;
b. voor de toeristenbelasting gebeuren op grond van het gemiddelde van de gegevens die zijn gebruikt voor de vaststelling van de meest recente belastingaanslag over elk van de twee voorafgaande jaren.
Ten aanzien van lid 2 geldt dat op benaderende wijze rekening kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen over de heffing van de gemeentelijke belasting en met andere wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Als de belastingplichtige kan aantonen dat het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het volgens lid 2 berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag.