Lid 1
De intrekkingprocedure wordt gestart als twee jaren zijn verstreken nadat een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en binnen deze termijn niet is begonnen met de werkzaamheden. Het gaat hier om de omgevingsvergunning
voor de activiteit bouwen (artikel 2.1, lid 1 onder a);
voor het uitvoeren van werkzaamheden (artikel 2.1, lid 1 onder b); of
voor sloopwerkzaamheden (artikel 2.1, lid 1 onder g).
Lid 2 De intrekkingprocedure wordt gestart als drie jaren zijn verstreken nadat een omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en binnen deze termijn niet is begonnen met de werkzaamheden dan wel het gebruik. Het gaat hier om de omgevingsvergunning
voor het vellen van houtopstanden (artikel 2.2, lid 1 onder g);
voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (artikel 2.1, lid 1 onder c);
voor het oprichten, in werking hebben of veranderen van de werking van de inrichting (artikel 2.1, lid 1 onder e); of
voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Indien de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder of diens rechtsopvolger zodanig zijn gewijzigd dat het belang van de monumentenzorg zwaarder moet wegen (artikel 2.1 lid 1 onder f) of op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening (artikel 2.2 lid 1 sub b).
Lid 3
In afwijking van lid 1 wordt de intrekkingprocedure gestart als drie jaren zijn verstreken nadat een gecombineerde omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden en binnen deze termijn niet is begonnen met de werkzaamheden, dan wel het gebruik.
Lid 4
Indien de vergunninghouder of diens rechtsopvolger in zijn zienswijze als bedoeld in artikel 4 van deze nadere regels aannemelijk kan maken dat op korte termijn maar uiterlijk binnen één jaar, na het verstrijken van de zienswijze termijn, zal worden gestart met de werkzaamheden, dan wel het gebruik, wordt de termijn, dat de omgevingsvergunning niet wordt ingetrokken, eenmalig met maximaal één jaar verlengd.
Lid 5
Als de vergunninghouder of diens rechtsopvolger in zijn zienswijze niet aannemelijk heeft gemaakt dat op korte termijn maar uiterlijk binnen één jaar na het verstrijken van de zienswijze termijn wordt gestart, dan trekt het bevoegd gezag de verleende omgevingsvergunning in.
Zienswijze