Voordat de uitkering wordt verlaagd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, maar niet als:
a. de belanghebbende zijn zienswijze al eerder kenbaar heeft gemaakt en er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden; of
b. binnen de gestelde termijn niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting; of
c. het horen niet nodig is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; of
d. in andere situaties waar dit naar de mening van het college niet noodzakelijk is.
Paragraaf 3 › Sub-paragraaf 3.1
Artikel 15
Horen van de belanghebbende(n)
Onderdeel van Verzamelverordening Wet Werk en Bijstand 2012