Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2

Artikel 3

aanspraak

Onderdeel van Verzamelverordening Wet Werk en Bijstand 2012

1. Het college biedt ondersteuning krachtens deze verordening aan de persoon die behoort tot de doelgroep en die dit naar het oordeel van het college nodig heeft bij de arbeidsinschakeling of zelfstandige maatschappelijke participatie. 2. Deze ondersteuning kan bestaan uit: a. een door het college noodzakelijk geachte voorziening waaronder ook loondispensatie toe te kennen aan de werkgever; b. een contactpersoon in relatie tot de uitkering en de ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling; c. nazorg. 3. De belanghebbende die behoort tot de doelgroep heeft geen aanspraak op ondersteuning voor zover deze een beroep kan doen op een voorliggende voorziening die voldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie. 4. Een niet-uitkeringsgerechtigde heeft geen aanspraak op ondersteuning krachtens deze verordening indien: a. Het gezinsinkomen hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm en/of het vermogen hoger dan het maximaal vrij te laten vermogen conform de Wwb; b. hij / zij betaalde arbeid verricht gedurende meer dan 12 uur per week; c. hij / zij niet bereid is om gedurende tenminste 12 uur per week algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten. 5. Jongeren tot 27 jaar krijgen de eerste vier weken na melding (zoektijd) geen enkele ondersteuning gericht op re-integratie tenzij er sprake is van een WW uitkering. De laatste vier weken WW gelden dan als zoektijd. Hierna kan in beginsel pas een voorziening worden ingezet als gebleken is dat er voldoende inspanning geleverd is om werk te vinden of terug te keren naar school en dit geen resultaat heeft opgeleverd en het college heeft vastgesteld dat er een noodzaak bestaat tot het inzetten van een voorziening.

Rechtspraak bij dit artikel