De belasting als bedoeld in artikel 2 bedraagt per jaar:
1. voor een perceel dat in hoofdzaak tot woning dient: € 148,80;
2. voor een perceel dat niet of niet in hoofdzaak tot woning dient, voor elke toegevoerde of opgepompte volle eenheid van 500 kubieke meters water:
a. € 148,80 voor de eerste 500 m³;
b. € 144,07 per eenheid boven de 500 m³ tot en met 2.500 m³;
c. € 127,14 per eenheid boven de 2.500 m³ tot en met 10.000 m³;
d. € 106,71 per eenheid boven de 10.000 m³ tot en met 50.000 m³;
e. € 93,36 per eenheid boven de 50.000 m³ tot en met 100.000 m³;
f. € 76,49 per eenheid boven de 100.000 m³ tot en met 250.000 m³;
g. € 64,04 per eenheid boven de 250.000 m³ tot en met 500.000 m³;
h. € 50,67 per eenheid boven de 500.000 m³;
3. voor een perceel waarbij enkel regenwater wordt afgevoerd: 0,15% van de WOZ-waarde, met een maximum van € 148,80.
4. Als sprake is van een veehouderijbedrijf, met of zonder woongedeelte, wordt het tarief als bedoeld in lid 2 berekend naar maximaal 500 kubieke meters toegevoerd of opgepompt water.
5. Voor de toepassing van het tweede lid wordt een gedeelte van een eenheid voor een volle eenheid gerekend.
6. Voor belastingbedragen tot € 3,- vindt geen heffing plaats. Voor de toepassing van de vorige zin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen voor rioolheffing aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 5
Belastingtarieven
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2019