Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 10.

Reserves en voorzieningen

Onderdeel van Financiële verordening

Het college biedt op eigen initiatief of op verzoek van de raad, een nota reserves en voorzieningen aan de raad aan. Het instellen, opheffen en herschikken van reserves en voorzieningen vindt alleen plaats met expliciete toestemming van de raad. De raad besluit tot toevoegingen en onttrekkingen aan reserves / voorzieningen via vaststelling van de programmabegroting of op voorstel van het college via apart raadsbesluit. Het aantal reserves en voorzieningen wordt zoveel mogelijk beperkt. Bij het instellen van een reserve of voorziening wordt tenminste de ontstaansreden, de gewenste omvang (boven- en ondergrens), de reden van toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve of voorziening en de reden van opheffing aangegeven. Na realisatie van de bestemming wordt de reserve / voorziening opgeheven. Restant saldi worden verrekend met de algemene reserve. Reserves en voorzieningen mogen geen negatief saldo hebben. Bij het opstellen van de jaarrekening worden negatieve saldi aangevuld vanuit de algemene reserve. Bij de volgende jaarrekening(en) wordt indien mogelijk het bedrag van het negatieve saldo uit het voorgaande jaar vanuit de betreffende reserve / voorziening toegevoegd aan de algemene reserve. Het beleid ten aanzien van reserves wordt jaarlijks bij de opstelling van het jaarverslag geëvalueerd. Het bedrag van de berekende rente over reserves wordt ten gunste gebracht van de exploitatie. Aan voorzieningen ten behoeve van beheerplannen wordt jaarlijks een inflatiecorrectie toegevoegd, die overeenkomt met de helft van het percentage van de bij de begroting vastgestelde gecalculeerde rente over het eigen vermogen.

Rechtspraak bij dit artikel