Om de financiële gevolgen van niet voorziene ontwikkelingen in de loop van het jaar te kunnen opvangen is het verplicht een bedrag in de begroting op te nemen voor onvoorzien (art. 8 lid 1 BBV).
In de regeling houdende nadere voorschriften met betrekking tot informatie voor derden van het Ministerie van BZK staat bij functie922 - Algemene baten en lasten: Kernbegrippen bij deze functie zijn onder meer: een geraamd bedrag ter dekking van niet voorziene uitgaven in het begrotingsjaar. Het gaat hier onder meer om het bedrag dat door de gemeenten wordt geraamd ter dekking van incidentele, niet voorziene, lasten.
Het college informeert de raad over de hoogte van de post onvoorzien vooraf in de kaderbrief. De Raad stelt de post onvoorzien vast in de MJPB. Het college verantwoordt de aanwending van de post onvoorzien achteraf op zijn laatst met de jaarstukken van het betreffende begrotingsjaar. Het college kan in de loop van het begrotingsjaar de raad verzoeken de post onvoorzien aan te vullen.
De omschrijving van functie 922 bevat twee elementen die in dit verband van belang zijn te weten:
Incidenteel en niet voorzien in het begrotingsjaar
A. incidenteel
Uitgangspunt is om het gebruik van deze post daarom te beperken tot werkelijk onvoorziene uitgaven. Dit betekent dat oneigenlijk gebruik zoveel mogelijk moet worden voorkomen.
Een ruime interpretatie van niet voorzien leidt tot de begrippen (de 3 O's):
B. onvoorzien
C. onvermijdelijk
D. onuitstelbaar
Vier genoemde elementen zijn de toetsingscriteria om te bepalen of iets ten laste van onvoorziene uitgaven mag worden gebracht.