1. In de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen
toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de
taakvelden/producten plaats.
2. Het college biedt bij de begroting en de jaarrekening een overzicht
aan van de stand en de te verwachten ontwikkelingen van de reserves en
voorzieningen.
3. De reserves en voorzieningen worden gerubriceerd naar de volgende
onderdelen:
a. reserves:
o algemene reserve (AR)
o bestemmingsreserves voor egalisatie van tarieven
o overige bestemmingsreserves
b. voorzieningen:
o verplichtingen met onzekere omvang
o verplichtingen waarvan de omvang is in te schatten
o voorzieningen met een egalisatiefunctie;
c. reserves van het grondbedrijf:
o Reserve Algemeen Grondbedrijf (RAG).
4. Bij het instellen van een reserve of voorziening wordt tenminste de
ontstaansreden, de
gewenste omvang (boven- en ondergrens), de reden van toevoegingen en
onttrekkingen aan de reserve of voorziening en de reden van opheffing
aangegeven.
5. Na realisatie van de bestemming wordt de reserve / voorziening
opgeheven. Restant saldi worden middels het resultaat van het
betreffende boekjaar toegevoegd aan de algemene reserve.
6. Reserves en voorzieningen mogen geen negatief saldo hebben. Bij het
opstellen van de jaarrekening worden negatieve saldi aangevuld vanuit de
algemene reserve. Bij de volgende jaarrekening(en) wordt het bedrag van
het negatieve saldo uit een voorgaand jaar vanuit de betreffende reserve
/ voorziening teruggestort/toegevoegd aan de algemene reserve.
7. Een voorstel voor beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen
wordt eenmaal in de vier jaar aan de raad aangeboden. Jaarlijks in de
jaarrekening wordt de raad geïnformeerd over de uitvoering van dat
beleid.
8. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen informeert het College de
Raad over de geraamde investeringen en de gerealiseerde investeringen
van de beheerplannen.