Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3.

Artikel 10.

Reserves en voorzieningen

Onderdeel van Financiële verordening 2017

1. In de begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden/producten plaats. 2. Het college biedt bij de begroting en de jaarrekening een overzicht aan van de stand en de te verwachten ontwikkelingen van de reserves en voorzieningen. 3. De reserves en voorzieningen worden gerubriceerd naar de volgende onderdelen: a. reserves: o algemene reserve (AR) o bestemmingsreserves voor egalisatie van tarieven o overige bestemmingsreserves b. voorzieningen: o verplichtingen met onzekere omvang o verplichtingen waarvan de omvang is in te schatten o voorzieningen met een egalisatiefunctie; c. reserves van het grondbedrijf: o Reserve Algemeen Grondbedrijf (RAG). 4. Bij het instellen van een reserve of voorziening wordt tenminste de ontstaansreden, de gewenste omvang (boven- en ondergrens), de reden van toevoegingen en onttrekkingen aan de reserve of voorziening en de reden van opheffing aangegeven. 5. Na realisatie van de bestemming wordt de reserve / voorziening opgeheven. Restant saldi worden middels het resultaat van het betreffende boekjaar toegevoegd aan de algemene reserve. 6. Reserves en voorzieningen mogen geen negatief saldo hebben. Bij het opstellen van de jaarrekening worden negatieve saldi aangevuld vanuit de algemene reserve. Bij de volgende jaarrekening(en) wordt het bedrag van het negatieve saldo uit een voorgaand jaar vanuit de betreffende reserve / voorziening teruggestort/toegevoegd aan de algemene reserve. 7. Een voorstel voor beleid ten aanzien van reserves en voorzieningen wordt eenmaal in de vier jaar aan de raad aangeboden. Jaarlijks in de jaarrekening wordt de raad geïnformeerd over de uitvoering van dat beleid. 8. In de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen informeert het College de Raad over de geraamde investeringen en de gerealiseerde investeringen van de beheerplannen.

Rechtspraak bij dit artikel