1. De accountantscontrole wordt opgedragen aan een door de raad te benoemen
accountant. De benoeming van de accountant geschiedt voor een periode van
vier jaar.
2. Het college bereidt in overleg met de raad de aanbesteding van de
accountantscontrole voor.
3. De raad stelt voor de aanbesteding van de accountantscontrole het
programma van eisen vast. In het programma van eisen worden voor de
jaarlijkse accountantscontrole opgenomen:
a. de toe te passen goedkeuringstoleranties (en afwijkende
rapporteringtoleranties) bij de controle van de jaarrekening;
b. de inrichtingseisen voor het verslag van bevindingen;
c. de eventueel aanvullende uit te voeren tussentijdse controles;
d. de frequentie en inrichtingseisen van de aanvullende tussentijdse
rapportering;
en voor ieder afzonderlijk te controleren begrotingsjaar:
e. de posten van de jaarrekening en deelverantwoordingen met bijbehorende
afwijkende rapporteringtoleranties, waaraan de accountant bij zijn controle
specifiek aandacht dient te besteden;
f. de gemeentelijke producten en of organisatieonderdelen met bijbehorende
afwijkende rapporteringtoleranties, waaraan de accountant bij zijn controle
specifiek aandacht dient te besteden.
4. In afwijking van het derde lid, letters e en f kan de raad in het
programma van eisen opnemen,dat de raad jaarlijks voorafgaand aan de
accountantscontrole in overleg met de accountant vaststelt de posten van de
jaarrekening, de gemeentelijke producten en de gemeentelijke
organisatieonderdelen, waaraan de accountant bij zijn controle specifiek
aandacht dient te besteden en welke rapporteringtoleranties hij daarbij
dient te hanteren.
Artikel 2.