Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk IV

Artikel 21

Citeertitel

Onderdeel van Verordening voorzieningen raads- en commissieleden gemeente Overbetuwe 2007

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen raads- en commissieleden gemeente Overbetuwe 2007. Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 26 februari 2008. DE RAAD VOORNOEMD, de griffier, de voorzitter, drs. A.J. van den Brink E. Tuijnman. Toelichting bij de Verordening voorzieningen raads- en commissieleden gemeente Overbetuwe 2007 Algemeen Wettelijke regelingen De regeling van de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies (in deze verordening de raadscommissies) vindt op drie niveaus plaats, te weten bij wet, Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) en gemeentelijke verordening. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van raads- en commissieleden moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe is tot stand gekomen het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. Daarin zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, zijn in de rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor de secundaire voorzieningen van raadsleden, zoals de uitkering bij aftreden, een pensioenvoorziening en de beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze voorzieningen te treffen. Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van raadscommissies. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemd rechtspositiebesluit. De verordening bevat bepalingen inzake: de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden; een vaste algemene onkostenvergoeding voor raadsleden; reis- en verblijfkosten van raads- en commissieleden; faciliteiten in de vorm van deelname van raadsleden aan cursussen, congressen e.d., en faciliteiten voor de aanschaf en het gebruik van een p.c. / laptop; de vrijblijvende mogelijkheid voor een aantal secundaire voorzieningen voor raadsleden, zoals deelname aan de spaarloonregeling respectievelijk de levensloopregeling. De arbeidsverhouding van het raadslid Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening van bijvoorbeeld het ABP. Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de basisverzekering. Op deze onderdelen kunnen eigen voorzieningen worden getroffen; of voorgeschreven in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden dan wel eventueel specifiek in deze verordening. Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Raadsleden kunnen hun inkomsten als raadslid wel onder de Wet op de loonbelasting brengen (fictief werknemersschap). Over het algemeen maken zij daar ook gebruik van. De loon- en inkomstenbelasting Opting in-regeling Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de "opting in-regeling" genoemd. De administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst, dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij, zoals gezegd, vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken, als de vergoeding van reis- en verblijfskosten. Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt. Deze vergoedingen worden gebruteerd toegekend waardoor na inhouding van de loonheffing de netto bedoelde vergoeding resteert. Fiscale standaardpositie Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt het raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Zij kunnen niet deelnemen aan de spaarloonregeling of de levensloopregeling. Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijke zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek. Ook voor de hoogte van de vaste kostenvergoeding maakt het verschil uit of het raadslid wel of niet heeft geopteerd voor de loonbelasting. Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.

Rechtspraak bij dit artikel