Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:
de resultaten van een recent milieuhygiënisch
bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740, uitgave
2009, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol
dat volgt uit figuur 1.de resultaten van een nader
onderzoek, verricht volgens het “Protocol Nader
Onderzoek deel 1;
(vervallen)
De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan het
bouwwerk als bedoeld in het Besluit omgevingsrecht,
artikelen 2 en 3 van bijlage II.
Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
bij het bevoegd gezag reeds bruibare recente
onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.
Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
rechtvaardigen.
Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
begonnen.
Voor de toepassing van de ontheffingen als bedoeld in lid 3
en 4 kunnen burgemeester en wethouders een beleidsregel
vaststellen.