Na toepassing van de hoofdstukken 2 en 3 van deze verordening:
bedraagt de uitkering voor de alleenstaande minimaal 50% van de gehuwdennorm, tenzij sprake is van een verlaging op grond van de afstemmingsverordening, en maximaal 70% van de gehuwdennorm;
bedraagt de uitkering voor de alleenstaande ouder minimaal 70% van de gehuwdennorm, tenzij sprake is van een verlaging op grond van de afstemmingsverordening, en maximaal 90% van de gehuwdennorm;
bedraagt de uitkering voor gehuwden minimaal 80% van de gehuwdennorm, tenzij sprake is van een verlaging op grond van de afstemmingsverordening, en maximaal 100% van de gehuwdennorm.
Hoofdstuk 4
Artikel 10
- Cumulatie
Onderdeel van Verordening toeslagen op en verlagingen van de norm WWB, WIJ 2010