Naar hoofdinhoud
1.. De toezichthouder legt zijn oordeel, naar aanleiding van een onderzoek bij het onderdeel kinderopvang van een kindcentrum als bedoeld in artikel 25, schriftelijk vast in een ontwerprapport. 2.. Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder van het onderdeel van kinderopvang van een kindcentrum de voorschriften uit deze verordening niet zijn of zullen worden nageleefd, vermeldt hij dat in het inspectierapport. 3.. De toezichthouder stelt de desbetreffende houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en voert overleg over de inhoud van het rapport. 4.. De houder krijgt de gelegenheid zijn zienswijze over de inhoud van het ontwerprapport schriftelijk kenbaar te maken. De toezichthouder vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het rapport. 5.. De toezichthouder stelt het rapport vast en zendt het inspectierapport onverwijld aan de houder van het onderdeel kinderopvang van het integraal kindcentrum, die een afschrift daarvan ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 6.. De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling daarvan openbaar. 7.. Indien bij een onderzoek, als bedoeld in het eerste lid, tekortkomingen zijn geconstateerd zendt de toezichthouder een afschrift van het inspectierapport aan het dagelijks bestuur.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel