Naar hoofdinhoud
1.. Burgers hebben spreekrecht. Zij kunnen het woord voeren in politieke kamer 1 of 2. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden over: een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar en beroep openstaat of heeft opengestaan; benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; een gedraging waarover een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan of kon worden ingediend. 3.. Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voor de aanvang van de vergadering bij de griffiemedewerker. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, telefoonnummer en het onderwerp, waarover hij het woord wil voeren. 4.. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 5.. De gemeenteraad kan nadere regels vaststellen voor het gebruik van het spreekrecht. 6.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend. 7.. De voorzitter concludeert aan het eind van het onderwerp of: de inspreker voldoende is geïnformeerd over de reactie van de woordvoerders in de Kamer; het gezien de behandeling gewenst is dat inspreker een schriftelijke reactie van de gemeenteraad of individuele fracties ontvangt. 8.. De voorzitter of een lid doet een voorstel voor de behandeling van de inbreng van de burger.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel