1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken
van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en
leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid,
aan degene die een strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 24
uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid
waarvan, het feit is gepleegd;
2.De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen, aan
degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten
aanzien van wie wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een
verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten
hoogste vier weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de
nabijheid waarvan, het feit is gepleegd;
3.Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien het
strafbare feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een
eerder verbod op grond van het eerste of tweede lid;
4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde verboden indien
dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is, of
in verband met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord;
5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd
verbod.
HOOFDSTUK 2 › AFDELING 15.
Artikel 2:78
Gebiedsontzegging
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Harlingen 2012