In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.boom: een houtachtig, overblijvend gewas, vitaal of afgestorven, met een
stamomtrek van minimaal 60 centimeter of een diameter van 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de stamomtrek van de dikste stam. In afwijking van het hierboven gestelde, geldt het bepaalde over de stamomtrek niet, indien er sprake is van:
-een monumentale boom of bijzondere beschermwaardige houtopstand, als
bedoeld in artikel 4:11b;
-een houtopstand onderdeel uitmaken van de hoofdbomenstructuur;
-een houtopstand in het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht,
als bedoeld in de artikelen 4:12a en 4:12b;
b. houtopstand: hakhout, een houtwal of één of meer bomen;
c. hakhout: een of meer bomen, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;
d. vellen: rooien, kappen, verplanten, het snoeien van meer dan twintig procent vande kroon van de boom of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen, het verrichten van handelingen, zowel bovengronds als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben;
e.knotten/kandelaberen: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelabeerde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud;
f.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;
g.bomenziekte: waaronder de Watermerkziekte bij wilgen, de Iepziekte bij iepen, de Bloedvlokkenziekte bij kastanjes, overige bomenziektes en de ziekten die voorkomen op de lijst van de Plantenziektenkundige Dienst van het Ministerie van LNV.
HOOFDSTUK 4 › AFDELING 3
Artikel 4:10
Begripsomschrijvingen
Onderdeel van Algemene plaatselijke verordening Harlingen 2012