Burgemeester en wethouders vorderen bijstand terug van de belanghebbende voorzover deze bijstand:
a. ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
b. in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen.
c. voortvloeit uit gestelde borgtocht.
d. ingevolge artikel 52 WWB bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat.
e. anderszins onverschuldigd is betaald voorzover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen, of
f. anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat:
1. de belanghebbende met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 ‘NWB beschikt of kan beschikken;
2. bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming.
g. Het in aanmerking nemen van in de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen wordt niet als terugvordering beschouwd.
h. terugvordering als bedoeld onder e. en f. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het besluit tot terugvordering.
Hoofdstuk II › Afdeling 1
Artikel 6
Ten onrecht verleende bijstand
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en verhaal 2009