Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het
bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
2.5.24 ten behoeve van:
gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
vergaderingen;
gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden,
indien de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
gebaat;
gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
handels- en industrieterrein;
agrarische bedrijfsgebouwen;
het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder
k, van het Besluit bouwwerken, en indien:
de bestaande belendende gebouwen de maximale
bouwhoogte overschrijden en de welstand bij het
verlenen van de ontheffing is gebaat;
bij het overschrijden van bestaande uitwendige
hoogteafmetingen andere hoogteafmetingen kleiner
worden dan de bestaande;
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3,
derde lid, van het Besluit bouwwerken;
topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van
soortgelijke aard;
plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
meter;
dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer
dan 1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de
onderlinge afstand niet minder dan 3 meter en de afstand tot
de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze
laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters,
die tot verschillende gebouwen behoren;
draagconstructies voor een reclame;
vrijstaande schoorstenen;
bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
monumentenverordening - voor zover zulks niet bezwaarlijk is
om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting
te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
omgeving.