Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre
belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel 27 WWB is aanvullend bedoeld op de artikelen 25 en 26 WWB.
Ten opzichte van artikel 35 lid 1 Abw is artikel 27 WWB ruimer. Artikel 35 lid 1 Abw voorzag enkel in een verlaging in het geval aan de door belanghebbende bewoonde woning geen woonkosten verbonden waren. Blijkens de toelichting op 27 WWB is de verruiming bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging te kunnen te kunnen toepassen.
In dit artikel is onder a een verlaging opgenomen voor de situatie dat aan de woning voor
belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om krakers of om de situatie waarbij de ex-echtgenoot de huur of hypotheek betaalt.
Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien een
belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand lager vast te stellen. In de verordening wordt overigens niet het begrip 'woonkosten' gehanteerd, maar 'kosten van huur of hypotheeklasten'.
Daarmee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, voor
belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit artikel te voorkomen. Dit
verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan de
invulling van het begrip woonkosten in de zin van artikel 35 lid 1 Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)
In onderdeel b wordt de verlaging ingeval er door belanghebbende in het geheel geen woning
bewoond vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Dit is in overeenstemming met de
toelichting op artikel 27 WWB. Een belanghebbende die geen woning bewoond wordt geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van
woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor een
belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd
met de hogere kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang.
De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze waarop de bijstand verleend moet worden. Indien bijstand verleend wordt aan daklozen, kan het college gebruik maken van zijn bevoegdheid om een budgetteringsplicht op te leggen of de bijstand in natura (in de vorm van opvang) te verlenen.
Overigens geschiedt de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op grond van artikel 40 lid 1 en 2 WWB door bij amvb (Bijstandsbesluit adreslozen) aan te wijzen centrumgemeenten. Maar niet elke belanghebbende zonder woning is een adresloze in de zin van aangehaalde wet.
Belanghebbende kan immers ook de beschikking hebben over een postadres bij familie of een
instantie.