De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, maar die kan aantonen dat hij redelijkerwijs hogere kosten van huur of hypotheeklasten voor deze woning betaalt dan 15 procent van de gehuwdennorm.
De in het tweede lid genoemde mogelijkheid staat niet open voor ouders en niet ten laste komende kinderen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning.
De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt 10 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft en die niet aantoont dat zijn kosten van huur of hypotheeklasten voor deze woning redelijkerwijs meer bedragen dan 15 procent van de gehuwdennorm.
Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft:
kinderen van 18 jaar of ouder waarvan het inkomen niet meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 33, tweede lid, onder a. van de wet vermeerderd met 10 procent van de gehuwdennorm;
kinderen met studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 die naast hun studiefinanciering geen inkomen hebben hoger dan 10 procent van de gehuwdennorm;
kinderen met een tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, waarvan het inkomen niet meer bedraagt dan het bedrag genoemd in artikel 33, tweede lid, onder a. van de wet vermeerderd met 10 procent van de gehuwdennorm;
verzorgingsbehoevenden en degene die een verzorgingsbehoevende verzorgt.
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Toeslagen
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Overbetuwe 2010