Dit statuut wordt aangehaald als het Treasurystatuut gemeente Overbetuwe 2011.
Aldus besloten in zijn openbare vergadering
van 20 december 2011.
DE RAAD VOORNOEMD,
de griffier,
de voorzitter,
drs. A.J. van den Brink
E. Tuijnman.
Aldus besloten in zijn besloten vergadering
van 8 november 2011.
Het college van burgemeester en wethouders,
De secretaris,
de burgemeester,
Th.M.M. Hoex
E. Tuijnman.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Algemeen
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In dit artikel worden de in dit statuut gebruikte begrippen omschreven.
Artikel 2 Doelstellingen van treasury
In dit artikel worden de vier doelstellingen (sub a. tot en met d.) van de treasuryfunctie van de gemeente weergegeven.
In de eerste plaats moet de treasury ervoor zorgen dat de gemeente “duurzaam toegang heeft tot de financiële markten tegen acceptabele condities” (sub a.). De treasury moet waarborgen dat de gemeente duurzaam in staat is de voor haar activiteiten benodigde middelen aan te trekken c.q. haar overtollige middelen uit te zetten op de financiële markt (bijv. bij banken). De condities die daarbij worden bedongen moeten, in het licht van de op het betreffende moment gebruikelijke condities, acceptabel (tenminste marktconform) zijn.
De gemeente loopt door haar activiteiten de volgende financiële risico’s: renterisico’s, koersrisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s en valutarisico’s. Het is de taak van de treasury dergelijke risico’s tegen acceptabele condities te beperken (sub b.). In de artikelen 4 tot en met 8 van het statuut is vastgelegd op welke wijze dit wordt gewaarborgd.
De derde doelstelling van de treasuryfunctie (sub c.) is het minimaliseren van de kosten bij het beheren van de geldstromen en de financiële posities. Deze kosten bestaan onder andere uit rentekosten, provisies en kosten van het betalingsverkeer. Het is de taak van de treasury het beheer zo efficiënt mogelijk uit te voeren.
De gemeente streeft ernaar de renteresultaten te optimaliseren (sub d.). Dit betekent dat de gemeente geen middelen onbenut laat maar streeft naar zo hoog mogelijke renteopbrengsten (c.q. zo laag mogelijk rentekosten) zonder dat daarbij overmatige risico’s worden gelopen. De prioriteiten van de treasuryfunctie liggen in eerste instantie bij het beheersen en beperken van financiële risico’s; de treasuryfunctie is immers niet op winstgericht (“profit center”). Binnen het acceptabele risicoprofiel zoals vastgesteld in de Wet financiering decentrale overheden (hierna te noemen: Wet fido) en dit moet desondanks worden gestreefd naar optimalisatie van de renteresultaten.
Hoofdstuk 2 Risicobeheer
Artikel 3 Algemene uitgangspunten
Ad sub a.: de Wet fido geeft twee belangrijke beleidsmatige uitgangspunten met betrekking tot treasury. Dit betreft de “publieke taak” waarvoor leningen en garanties dienen enerzijds en het prudente karakter van (overige) uitzettingen anderzijds. Er wordt hierbij dus een specifiek onderscheid gemaakt tussen het verstrekken van leningen “uit hoofde van de publieke taak” en het uitzetten van middelen “uit hoofde van treasury”.
De Wet fido stelt geen eisen aan het verstrekken van leningen en garanties uit hoofde van de publieke taak. Wel wordt in de toelichting op de Wet fido het volgende aangegeven: ‘Het gemeentebestuur bepaalt de publieke taak. De begroting en de begrotingswijzigingen bepalen het budgettaire kader voor de uitoefening van de publieke taak’. In dit licht is het dus niet de treasurer die het politieke besluit voor dergelijke garanties en leningen voorbereidt. Wel moet het advies van het team Advies worden ingewonnen voordat er een beslissing wordt genomen over het verstrekken van leningen of garanties uit hoofde van de publieke taak. Het team Advies adviseert over bijvoorbeeld financieringsvoorwaarden en de implicaties van de betreffende aanvraag voor de totale financiële positie van de gemeente. Daarnaast is het van belang dat de treasurer de betreffende aanvraag opneemt in de liquiditeitenplanning.
Ad sub b.: conform de Wet fido, dienen uitzettingen “uit hoofde van treasury” (zie toelichting hierboven) een prudent karakter te hebben.
In de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen wordt het begrip “prudent” nader uitgewerkt. Het aangaan van financiële transacties met als oogmerk die financiële waarden te zijner tijd eventueel met winst te verkopen, is nadrukkelijk niet toegestaan (zie artikel 2, tweede lid Wet fido en de Memorie van Toelichting op de Wet fido). Bankachtige activiteiten – het aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen – zijn als gevolg van deze bepaling verboden. De richtlijnen en limieten van dit statuut vallen binnen de kaders van de Wet fido. De limieten en richtlijnen van dit statuut zijn specifiek geformuleerd om het prudente karakter van de uitzettingen uit hoofde van treasury te garanderen en hebben daarom géén betrekking op (eventueel) verstrekte leningen of garanties uit hoofde van de “publieke taak” van de gemeente.
Ad sub c.: derivaten zijn financiële instrumenten die hun bestaan ontlenen aan een bepaalde onderliggende waarde. Derivaten kennen een breed toepassingsgebied en worden onder andere gebruikt om renterisico’s te sturen en financieringskosten te minimaliseren. De Wet fido stelt dat derivaten uitsluitend mogen worden gebruikt ter beperking van financiële risico’s.
Artikel 4 Renterisicobeheer
Eerste lid: renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe-) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het vermijden van grote fluctuaties in de rentelasten van openbare lichamen. Om een grens te stellen aan korte financiering (met een rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido (evenals in de Wet filo) de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, omdat fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage (8,5%) van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar (zie artikel 3 en 4 van de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).
Tweede lid: het doel van de renterisiconorm is het beheersen van de renterisico’s op het begrotingstotaal (schuld met een rentetypische looptijd van één jaar of langer) door het aanbrengen van spreiding in de looptijden in de leningenportefeuille. De renterisiconorm kan worden berekend door een vastgesteld percentage (20%) te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal per 1 januari van enig jaar (zie artikel 6 van de Wet fido en de Uitvoeringsregeling financiering decentrale overheden).
Derde lid: afstemming op de liquiditeitenplanning beoogt middelen slechts te lenen of uit te zetten voor de periode dat zij daadwerkelijk nodig respectievelijk beschikbaar zijn.
Vierde lid: een rentevisie is een toekomstverwachting over de rente-ontwikkeling, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Afstemming van het beleid op de rentevisie betekent bijvoorbeeld het uitstellen van uitzettingen met een lange looptijd indien men een rentestijging verwacht.
Vijfde lid: afhankelijk van de (interne- of externe) ontwikkelingen zal de gemeente haar rentevisie actualiseren. De rentevisie kan daarbij gebaseerd worden op de rentevisie van enkele gezaghebbende financiële instellingen, waarvan de huisbankier er één is.
Zesde lid: door spreiding aan te brengen in de rentetypische looptijd (de periode dat de rente van een uitzetting vast is) van uitzettingen, wordt de invloed van een rentedaling op de renteresultaten gespreid over meerdere jaren. Deze spreiding is slechts mogelijk als uit de liquiditeitenplanning blijkt dat middelen gedurende een langere periode beschikbaar zijn.
Artikel 5 Koersrisicobeheer
Ad sub a.: voor de financiële instrumenten die kunnen worden gehanteerd voor uitzettingen in het kader van treasury, geldt in de Wet fido als belangrijkste uitgangspunt dat de hoofdsom van de betreffende uitzetting aan het einde van looptijd in tact blijft. Bij alle in dit artikel genoemde producten wordt aan het einde van de looptijd ten minste de hoofdsom (bij vastrentende waarden de “nominale waarde”) uitgekeerd.
Bij het uitzetten van gelden op rekening courant, spaarrekening, daggeld of deposito’s worden géén koersrisico’s gelopen. Het kan bij dergelijke producten echter voorkomen dat de opnamemogelijkheden beperkt zijn (in het bijzonder bij deposito’s en soms bij een spaarrekening). Certificates of deposit, commercial papers, obligaties en medium term notes zijn vastrentende waarden die (tussentijds) verhandelbaar zijn. Bij tussentijdse verkoop kunnen koersrisico’s worden gelopen. Wanneer deze waarden tot het einde van hun looptijd worden aangehouden zal minimaal de nominale waarde en de vooraf overeengekomen (minimale) rente worden uitgekeerd.
Garantieproducten zijn beleggingsproducten waarbij de uitgevende (financiële) instelling garandeert dat op de afloopdatum (een bepaald percentage van) de hoofdsom wordt uitgekeerd. Garantieproducten keren vaak minder of geen rente uit en bieden in plaats daarvan bijvoorbeeld een rendement dat gebaseerd is op een aandelen-index (zoals de AEX-index). Garantieproducten waarbij minder dan 100% van de hoofdsom wordt gegarandeerd zijn expliciet niet toegestaan onder de Wet fido.
Bij garantieproducten is vaak enkel de hoofdsom gegarandeerd. Aangezien de reële waarde (de koopkracht) van de hoofdsom door inflatie kan verminderen, verdient het de aanbeveling om bij een langere looptijd naast een hoofdsomgarantie een minimaal rendement (bijv. ter hoogte van het inflatieniveau) te eisen.
Voor uitzettingen uit hoofde van de publieke taak van de gemeente worden in dit treasurystatuut geen richtlijnen voor producten opgenomen. Van belang is dat de gemeenteraad bepaalt dat de betreffende uitzetting tot de “publieke taak” van de gemeente behoort. In dit kader is het bijvoorbeeld mogelijk dat uitzettingen in de vorm van aandelen tot de publieke taak behoren.
Ad sub b.: koersrisico’s kunnen nooit volledig worden uitgesloten. Als de gemeente in een vastrentend product heeft belegd maar – wegens wijziging in de liquiditeitenplanning – voor de afloopdatum deze uitzetting moet verkopen, dan wordt niet 100% van de hoofdsom terugbetaald, maar de actuele waarde van de uitzetting afhankelijk van de rente en resterende looptijd. Om deze koersrisico’s zoveel mogelijk te beperken wordt de looptijd van de uitzetting afgestemd op de liquiditeitenplanning.
Artikel 6 Kredietrisicobeheer
Om kredietrisico’s te beperken zijn in dit artikel richtlijnen opgenomen voor de minimale kredietwaardigheid van de partijen waar de gemeente middelen kan uitzetten/beleggen.
Een (credit-)rating is een beoordeling van de kredietwaardigheid van een instelling, die voor zowel de korte als voor de lange termijn wordt toegekend door gerenommeerde rating ‘agencies’ zoals bijvoorbeeld Standard & Poor’s, Moody’s en Fitch IBCA. De hoogste kredietwaardigheid wordt bij Standard & Poor’s en Fitch IBCA weergegeven met AAA, gevolgd door AA en A. Moody’s kwalificeert van hoog naar laag Aaa, Aa en A. Daarnaast kent men kwalificaties met letters B, C en D. Een AA-rating staat voor zeer ‘kredietwaardig’.
Een solvabiliteitsratio van 0% (ofwel een “solvabiliteitsvrije status”) is een status die door een bancaire toezichthouder in een EER-lidstaat (bijv. De Nederlandsche Bank) wordt toegekend aan het schuldpapier van een instelling. Deze status houdt in dat een bank voor desbetreffend papier geen reserves (0%) hoeft aan te houden en wordt onder meer toegekend aan papier uitgegeven of gegarandeerd door (centrale) overheden. Het is de gemeente dus toegestaan om bij andere overheden geld uit te zetten, of om te beleggen in papier waaraan een overheidsgarantie is verbonden (zoals door het WSW geborgde leningen van woningcorporaties).
De Wet fido stelt geen eisen aan de kwaliteit van de debiteuren bij het verstrekken van leningen of garanties aan derden in het kader van de publieke taak. Omdat de gemeenteraad de publieke taak bepaalt, worden leningen of garanties uitsluitend verstrekt aan door de gemeenteraad goedgekeurde partijen. Om de kredietrisico’s te beheersen kunnen zekerheden of garanties worden verlangd van de debiteuren.
Artikel 7 Intern liquiditeitsrisicobeheer
Interne liquiditeitsrisico’s doen zich bijvoorbeeld voor als de gemeente middelen voor een bepaalde periode heeft uitgezet en gedurende de looptijd van de uitzetting blijkt dat de middelen (onverwacht) nodig zijn voor het doen van een investering. Dit kan tot gevolg hebben dat tijdelijk een lening moet worden aangetrokken (wanneer de uitzettingen vast staan in bijvoorbeeld een deposito) ofwel tussentijds een uitzetting moet worden verkocht (bijvoorbeeld een obligatie). In beide gevallen kan dit negatieve gevolgen hebben voor de financiële resultaten.
Om dit risico te beperken, worden de financiële transacties gebaseerd op een liquiditeitenplanning waarin de toekomstige inkomsten en uitgaven van de gehele organisatie zijn gepland. Om aansluiting te zoeken op de meerjarige investeringsplanning van de gemeente is gekozen een liquiditeitenplanning met een periode van 4 jaar op te stellen. In de praktijk is het opstellen van een betrouwbare en nauwkeurige liquiditeitenplanning niet eenvoudig. Dit heeft te maken met de inherente onzekerheden die verbonden zijn aan de activiteiten van de gemeente en de hieraan verbonden mogelijke financiële gevolgen. Het is daarom van groot belang dat de financieel verantwoordelijke juist, tijdig en volledig wordt geïnformeerd over de financiële gevolgen van de gemeentelijke activiteiten.
Artikel 8 Valutarisicobeheer
Het uitsluitend verstrekken, aangaan of garanderen van leningen in de Nederlandse geldeenheid betreft een ongewijzigde voortzetting van het bestaande beleid.
Hoofdstuk 3 Gemeentefinanciering
Artikel 9 Algemene uitgangspunten
Het aantrekken van middelen met als doel deze met winstoogmerk te beleggen staat artikel 2, tweede lid van de Wet fido nadrukkelijk niet toe (sub a.).
Om de renteresultaten te optimaliseren wordt zoveel mogelijk intern gefinancierd (sub b.).
Ad sub c.: onderhandse geldleningen zijn leningen waarbij de voorwaarden van de lening in onderling overleg met de geldgevende partij kunnen worden vastgesteld. De term Commercial Paper staat voor verhandelbare schuldbekentenissen met een looptijd korter dan twee jaar, uitgegeven door niet-kredietinstellingen. Een Medium Term Note (MTN) is een door een bank of bepaalde onderneming op korte of middellange termijn uitgegeven rentredragend, meestal verhandelbaar papier.
Dit statuut beoogt de marktconformiteit van financieringen te waarborgen, voor bijvoorbeeld te betalen rentepercentages, provisies, (boete-) clausules bij vervroegde aflossing, etc.. Door middel van het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat een objectief beeld wordt verkregen van de op dat moment gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten (sub d.). Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt.
Artikel 10 Langlopende uitzettingen
Langlopende uitzetting betreft het uitzetten van middelen (uit hoofde van treasury) voor een periode langer dan één jaar. In het onderdeel Risicobeheer (artikelen 3 tot en met 8) is gedefinieerd op welke wijze de gemeente het prudente karakter van haar uitzettingen waarborgt. In dit artikel worden aanvullende richtlijnen met betrekking tot uitzettingen geformuleerd.
Dit statuut beoogt de marktconformiteit van uitzettingen te waarborgen, voor bijvoorbeeld het effectieve rendement, de hoogte van transactiekosten, etc. Door middel van het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat een objectief beeld wordt verkregen van de actuele gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten. Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt.
Artikel 11 Financiële diensten
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 4 Kasbeheer
Artikel 12 Geldstromenbeheer
Geldstromenbeheer omvat met name het zorgdragen voor een efficiënt betalingsverkeer. Geldstromen kunnen bijvoorbeeld op elkaar worden afgestemd door een betalingsdatum af te stemmen op verwachte ontvangsten. Hiermee wordt voorkomen dat de gemeente tijdelijk middelen aan moet trekken (of middelen aan haar uitzettingenportefeuille moet onttrekken) om de betreffende betaling (tijdelijk) te financieren (sub a.).
Het laten uitvoeren van het betalingsverkeer door één bank heeft als voordeel dat de kosten van het overboeken van middelen tussen verschillende banken worden vermeden (sub b.).
Artikel 13 Saldo- en liquiditeitenbeheer
Het saldo en liquiditeitenbeheer betreft het beheer van de dagelijkse saldi op de rekeningen (-courant). Om de noodzaak tot het doen van interne overboekingen te beperken, worden verschillende rekeningen die de gemeente bij één bank aanhoudt, opgenomen in een rentecompensatiecircuit. Ditis een systeem waarbij de (valutaire) debet- en creditsaldi van alle rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo, waarover de rente wordt berekend (sub a.).
Onder sub c. worden limitatief de mogelijke korte termijn financieringsinstrumenten benoemd. De term daggeld (ook wel callgeld genoemd) staat voor opgenomen of uitgezette middelen voor onbepaalde tijd die dagelijks gewijzigd kan worden.
Een kasgeldlening is een banklening van minimaal € 500.000,- met een korte looptijd, een vast rentepercentage en een aflossing ineens. Verlening is meestal mogelijk.
Kredietlimiet op de rekening courant betreft de mogelijkheid debet (‘rood’) te staan op de rekening courant tegen vooraf overeengekomen condities.
Onder sub d. worden limitatief de mogelijke korte termijn uitzettingsinstrumenten benoemd.
Door middel van het opvragen van meerdere offertes wordt bereikt dat een objectief beeld wordt verkregen van de op dat moment gebruikelijke tarieven en voorwaarden op de financiële markten (sub f.). Op basis daarvan kan een afgewogen keuze worden gemaakt.
Hoofdstuk 5 Administratieve organisatie en interne controle
Artikel 14 Algemene uitgangspunten
Bij de treasuryfunctie zijn, naast het college, meerdere personen betrokken. Het treasurystatuut legt expliciet vast welke taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden de betrokkenen hebben. Met het oog op de omvang en de aard van de transacties en de hiermee samenhangende risico’s, zijn in dit artikel een aantal specifieke uitgangspunten opgenomen om een eenduidige functiescheiding aan te brengen tussen beleidsbepaling en de uitvoering en tussen de administratie en de controle op financiële transacties.
Artikel 15 Taken en verantwoordelijkheden
De taken en verantwoordelijkheden van de functionarissen die binnen de gemeente betrokken zijn bij de treasuryactiviteiten zijn in dit artikel beschreven.
Artikel 16 Bevoegdheden
De eindverantwoordelijkheid voor het treasurybeleid ligt primair bij het bestuur van de gemeente. Om niet onnodig te worden belast met het dagelijkse treasurybeheer draagt het bestuur een deel van zijn bevoegdheden over aan de ambtelijke organisatie. De praktische uitvoering van het beleid heeft dus vooral op ambtelijk niveau plaats, met als voordeel een slagvaardiger optreden. Bij de toewijzing van bevoegdheden is zoveel mogelijk rekening gehouden met de vereiste functiescheiding tussen besluitvorming, uitvoering, administratie en controle.
Artikel 17 Informatievoorziening
De tabel in dit artikel geeft weer op welke wijze de informatievoorziening wordt gewaarborgd voor: beleidsmatige informatie (punt 2) en verantwoordingsinformatie (punt 2, 3 en 4). Het verstrekken van juiste, tijdige, volledige en relevante verantwoordingsinformatie moet gerekend worden tot de belangrijkste succesfactoren voor het kunnen beheersen van de financiële en interne risico’s van de gemeente.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen
Artikel 18 Hardheidsclausule
Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om één of meerdere artikelen van dit statuut buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Deze bepaling ziet op gevallen, die met het vaststellen van dit statuut niet zijn voorzien. Het spreekt voor zich dat van deze bepaling niet licht gebruik zal worden gemaakt. Ook kan dan dat alleen, voor zover toepassing gelet op het belang van het financieel beheer en de inrichting van de financiële organisatie, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Wordt er overigens gebruik gemaakt van deze bepaling, dan moet het treasurystatuut hierop worden aangepast, omdat het dan immers een voorzienbaar geval is (geworden).
Artikel 19 Intrekking oude regeling
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 20 Inwerkingtreding
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 21 Citeertitel
Dit artikel behoeft geen toelichting.