Naar hoofdinhoud
De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de wijze waarop de accountantscontrole wordt ingericht, alsmede de aard en de omvang van de daarbij behorende werkzaamheden. De accountant bepaalt binnen het kader van de opdrachtverlening de frequentie van de uit te voeren controles. De accountant kan de controlewerkzaamheden zonder voorafgaande kennisgeving uitvoeren. Ter bevordering van een efficiënte en doeltreffende accountantscontrole vindt periodiek (afstemmings-)overleg plaats tussen de accountant en de auditcommissie. De auditcommissie wordt bij het overleg, als bedoeld in lid 3, geadviseerd door een lid van het college, de gemeentesecretaris, de concerncontroller, het hoofd van de afdeling financiën en een lid van de rekenkamer. Desgevraagd en als het onderwerp het toelaat, kan de accountant de auditcommissie adviseren.

Rechtspraak bij dit artikel