Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 20

Artikel 20

Onderdeel van Beheerverordening gemeentelijke begraafplaatsen Overbetuwe

1. grafruimten worden onderscheiden in: a. - eigen graven, - eigen graven, - eigen kindergraven, - algemene graven en - algemene kindergraven. b. - eigen urnengraven en - algemene urnengraven. 2. Eigen kindergraven en algemene kindergraven dienen tot begraving van lijken van kinderen beneden de leeftijd van 12 jaar. 3. Eigen en algemene graven als bedoeld in artikel 20, eerste lid onder a van de Wet, moeten een oppervlakte hebben van tenminste 2.10 meter in de lengte en van 1 meter in de breedte. 4. Het college van burgemeester en wethouders wijst aan in welke vakken of gedeelten van vakken, de in het derde lid bedoelde graven zullen worden uitgegeven. Tevens wijzen zij aan het vak of het gedeelte van een vak waar asbussen met of zonder urnen kunnen worden bijgezet. 5. Het recht tot begraven in algemene graven, kindergraven daaronder begrepen, en het recht tot het bijzetten in een algemeen urnengraf, berusten bij het college van burgemeester en wethouders, tenzij er sprake is van overheidszorg als bedoeld in de artikelen 20 tot en met 22 van de Wet. 6. Het uitsluitend recht tot begraven in eigen graven, kindergraven daaronder begrepen, tevens het recht tot bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen in eigen urnengraven, worden verleend voor een termijn van twintig jaren. De termijn begint te lopen op de datum waarop het eigen graf is uitgegeven. Binnen één jaar vóór het verstrijken van de lopende termijn van twintig jaren, kan dit recht op schriftelijk verzoek van de rechthebbende, telkens met een termijn van tien jaren worden verlengd. 7. Lijkbezorgingen als bedoeld in de artikelen 21 en 22 van de Wet vinden plaats in algemene graven, kindergraven daaronder begrepen of in algemene urnengraven. Na het verstrijken van een termijn van tien jaren vindt geen verlenging plaats. 8. De uitgifte van graven vindt voor zover artikel 19, vierde lid van deze verordening niet van toepassing is, slechts plaats voor directe begraving en in volgorde van ligging/ nummering. 9. Wanneer ruiming als bedoeld in artikel 31 of opheffing als bedoeld in artikel 32 van de Wet heeft plaatsgevonden, worden de vrijgekomen ruimten in het belang van de inrichting en onderhoud van de desbetreffende begraafplaats, het eerst uitgegeven. 9. Kinderen tot 12 jaar mogen met inachtneming van het hierna bepaalde in het tiende lid, het elfde lid en het dertiende lid, ook begraven worden in eigen graven, in algemene graven, in eigen urnengraven en in algemene urnengraven. 10. 0p de gemeentelijke begraafplaats te EIst worden in een aardgraf niet meer dan twee lijken van personen van twaalf jaar en ouder begraven. Indien het lijken van kinderen beneden 12 jaar betreft, beslist het college van burgemeester en wethouders in hoeverre in een aardgraf meer lijken begraven kunnen worden. 11. vervallen 12. Met uitzondering van in urnengraven mogen in grafkelders of gemetselde graven zoveel lijken worden begraven als waarvoor deze berekend zijn. 13. In urnengraven mogen maximaal twee asbussen met urnen worden bijgezet. In de plaats van ieder asbus met urn afzonderlijk, mogen er twee asbussen zonder urn worden bijgezet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel