Indien er sprake is van een subsidieverlening dient de
subsidieontvanger voor 1 juni na afloop van het tijdvak waarvoor
de subsidie is verleend, een aanvraag tot vaststelling van de
subsidie bij het college in.
Indien het bepaalde in het eerste lid toepassing vindt, is
artikel 18 van overeenkomstige toepassing.
Het college stelt binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag
om subsidievaststelling de subsidie vast.
Het college kan naast de gevallen, vermeld in artikel 4:46,
tweede en derde lid Awb, de subsidie lager vaststellen,
indien:
is gebleken, dat de subsidie aan andere activiteiten is
besteed dan waarvoor zij is aangevraagd, dan wel
verleend;
de subsidieontvanger feitelijk niet of onvoldoende
overeenkomstig zijn doelstellingen werkzaam is en
hierin, ondanks een ontvangen schriftelijke
waarschuwing, geen verandering brengt;
de subsidieontvanger een financieel wanbeleid
voert;
de instelling zichzelf bij besluit heeft, dan wel bij
rechterlijk vonnis is geliquideerd c.q. ontbonden;
bij de subsidieontvanger conservatoir of executoriaal
beslag is gelegd op het vermogen of een deel ervan;
aan de subsidieontvanger surséance van betaling is
verleend;
de subsidieontvanger in staat van faillissement is
verklaard.
Het college kan, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de
subsidieverlening intrekken of ten nadele van de
subsidieontvanger wijzigen als zich een geval als vermeld in
artikel 4:48, eerste lid en/of artikel 4:50, eerste lid Awb, of
een geval als vermeld in het vierde lid van dit artikel
voordoet. In geval van toepassing van artikel 4:50 Awb wordt een
redelijke termijn in acht genomen.
Het college kan een vastgestelde subsidie intrekken of ten
nadele van de subsidieontvanger wijzigen in de gevallen, vermeld
in artikel 4:49, eerste lid Awb. Deze bepaling is ook van
toepassing op de directe subsidievaststelling.