Naar hoofdinhoud
1.. De raadscommissie onderzoek jaarrekening bestaat uitsluitend uit raadsleden waarbij iedere fractie één raadslid kan afvaardigen. In afwijking van het bepaald in artikel 5 lid 1 tot en met 3 benoemt deze raadscommissie uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. 2.. De overige raadscommissies bestaan uit een voorzitter en een aantal leden zijnde raadsleden en burgercommissieleden. 3.. De leden worden door de raad op voordracht van de fracties benoemd. 4.. Deze voordracht komt onder de volgende voorwaarden tot stand: fracties verdelen hun, na benoeming van de commissievoorzitters, nog beschikbare raadsleden over de raadscommissies; per fractie kunnen drie raadscommissiezetels door burgercommissieleden worden ingevuld; de fractie die de voorzitter levert mag daarvoor één extra burgercommissielid aanwijzen; raadsleden en burgercommissie leden worden per fractie zo gelijkmatig mogelijk over de raadscommissies verdeeld met dien verstande dat voor fracties tot en met 4 raadsleden een maximum van 2 en voor fracties met 5 zetels of meer een maximum van 3 commissieleden per commissie geldt. 5.. De artikelen 10, 11, 12, 13, 15, 25, 55 en 86 van de Gemeentewet zijn van toepassing op een lid van een raadscommissie. 6.. Een raadslid of burgercommissielid kan zich in de vergadering van de commissie waar hij als lid benoemd is laten vervangen door een ander raads- of burgercommissielid van zijn fractie. 7.. Een raads- of burgercommissielid, met uitzondering van de commissievoorzitter, spreekt in de commissie namens de fractie. Indien hij aangeeft ook namens één of meer andere fracties te spreken, dan geldt zijn bijdrage tevens als de bijdrage van de betreffende fracties.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel