Bijstand wordt verleend, tenzij:
het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;
het verlenen van bijstand het belang van de gemeente kan
schaden;
de reguliere taakuitoefening van de betreffende ambtenaren
hierdoor aanmerkelijk zou worden belemmerd en de bijstand
niet tot geringere, meer aanvaardbare proporties kan worden
teruggebracht.
het raadslid overmatig gebruik blijkt te maken van het recht
op ambtelijke bijstand.
HOOFDSTUK 2 › Afdeling
Artikel 7
Weigeringsgronden
Onderdeel van Verordening op de ambtelijke bijstand 2004