Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2. › Afdeling 8.

Artikel 2:27

Begripsbepalingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening 2009

1.. In deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting: alle inrichtingen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, met uitzondering van die, waarin het slijtersbedrijf wordt uitgeoefend; alle plaatsen niet zijnde inrichtingen als bedoeld onder a, waar­voor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid, van de Drank- en Horecawet; de besloten ruimten, waar bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, met uitzondering van: 1. de besloten ruimten, waar de verstrekking geschiedt krachtens een vergunning ingevol­ge de wet tot het uitoefenen van een horecabedrijf of horecawerkzaamheid of als dienstver­lening van bijkomstige aard aan personen, die daar vertoeven anders dan voor het gebruiken van consumpties; 2. middelen van vervoer tijdens hun gebruik als zodanig;elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, waarin of van waaruit uitsluitend spijzen, al dan niet naast consumptie-ijs en voor de aflevering daarvan benodigde hulpmiddelen, of deze waren tezamen, plegen te worden verkocht en waarvoor geen vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet of een verlof ingevolge de Drank- en Horecaverordening geldt; 2.. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. 3.. Een terras in de zin van deze paragraaf is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 4.. houder: hij, die houder is van een vergunning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a of c, van de Drank- en Horecawet of van een ontheffing krachtens artikel 35, tweede lid, van die wet; 5.. ondernemer: de ondernemer die een inrichting heeft; 6.. bedrijfsleider: de bedrijfsleider, die de algemene leiding aan de inrichting geeft; 7.. de beheerder, die de onmiddellijke leiding geeft aan de uitoefening van de inrichting. Deze paragraaf verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel