Naar hoofdinhoud
1.. Begraving mag slechts geschieden indien van tevoren het verlof tot begraven is overgelegd aan de gemeente. 2.. Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat, alleen bij begraving van een stoffelijk verschot, de uitvaartverzorger een verklaring overlegt waarin de identiteit van het stoffelijk overschot is vastgesteld door vergelijking van het op de kist of een ander lijkomhulsel vermelde registratienummer met dat op een bijgevoegd document dat tevens de namen, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel de geslachtsnaam van de niet-levensvatbare of levenloosgeborene bevat. 3.. Indien de begraving of de bezorging van as in een eigen graf zal plaatsvinden, dient een machtiging daartoe aan de beheerder te worden overgelegd ondertekend door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door degene die in de uitvaart voorziet. 4.. Begraving of bijzetting in een eigen graf waarvan de uitgiftetermijn binnen de wettelijke minimum grafrusttermijn afloopt, kan alleen plaatsvinden onder gelijktijdige verlenging van de uitgiftetermijn met een zodanige periode dat de alsdan resterende uitgiftetermijn ten minste gelijk is aan de wettelijke minimum grafrusttermijn. De verlenging dient te worden aangevraagd door de rechthebbende of, indien deze is overleden, door een van de andere personen, genoemd in artikel 15, tweede lid. 5.. De in het vorige lid bedoelde periode van verlenging wordt naar boven toe afgerond op gehele jaren. 6.. De beheerder onderzoekt de genoegzaamheid van de overgelegde stukken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel