De hoogte van de toeslag wordt in artikel 2 geregeld. Daarbij is aangegeven dat de langdurigheidstoeslag toekomt aan personen die langdurig een laag inkomen hebben en overigens voldoen aan de andere voorwaarden die de wet stelt. In artikel 36 lid 1 Wwb zijn als voorwaarden nog opgenomen dat ten tijde van de referteperiode het vermogen niet de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen te boven mag gaan en dat er geen uitzicht mag zijn op inkomensverbetering. Voorts gelden uiteraard de uitsluitingsgronden genoemd in artikel 13 Wwb en kan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aanleiding vormen om het recht af te stemmen, conform het tweede lid van artikel 18 Wwb.
De peildatum, dat is de datum waarop de doelgroep langdurig een laag inkomen heeft, is bepalend voor de leef- woonvorm en voor de hoogte van de toeslag. Voor personen in een inrichting gelden afwijkende bedragen. Dit is reeds in de algemene toelichting verduidelijkt. Met ‘personen’ wordt in artikel 2 hetzelfde bedoeld als in artikel 36 eerste lid Wwb. Het betreft een alleenstaande of gezin, in de leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar die langdurig een laag inkomen heeft. Vanwege het zesde lid van artikel 36 moet elk subject van bijstand aan de eigen norm worden getoetst. Een gehuwde mag dus niet een hoger inkomen hebben dan 110% van de gehuwdennorm, terwijl het inkomen van een alleenstaande ouder niet hoger mag zijn dan 110% van de alleenstaande oudernorm.
De langdurigheidstoeslag wordt toegekend met ingang van de datum waarop aan de voorwaarden is voldaan. Na indiening van een aanvraag dient beoordeeld te worden wat de peildatum is, dat is de datum waarop belanghebbende langdurig een laag inkomen en geen vermogen heeft. Het is aan de gemeente om de peildatum te bepalen.