Eerste en tweede lid
De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel.
Het verwijtbaat werkloos worden of blijven voorafgaand aan de bijstandsverlening is ook aan te merken als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, maar deze gedraging is ondergebracht bij artikel 6.
Wat betreft de hoogte van de maatregel voor gedragingen die onder artikel 13 vallen is in de eerste twee leden er voor gekozen om een standaardpercentage toe te passen op de verlaging en de ernst van de gedraging uit te drukken in de duur van de maatregel. Bij de vaststelling van de duur van de maatregel dient beoordeeld te worden hoe lang belanghebbende onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en/of hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
Bij ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid kan geen maatregel worden opgelegd van onbeperkte duur. Een en ander houdt verband met het feit dat ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid slechts maatregelwaardig is op het moment dat het leid tot (verhoogde) bijstandsafhankelijkheid. Wordt het gedrag ook daarna voortgezet, dan blijft het weliswaar ongenoegzaam besef, maar ontbeert het een verband met de bijstandsafhankelijkheid, waardoor niet meer sprake is van maatregelwaardig gedrag. Een voorbeeld moge dit verduidelijken:
bij bijstandsaanvraag blijkt dat de aanvrager onverantwoord snel het hem ter beschikking staande vermogen van € 200.000,-- heeft opgesoupeerd. Een en ander heeft tot gevolg dat belanghebbende sneller dan bij een verantwoord bestedingspatroon bijstandsafhankelijk is geworden. Dit levert een maatregelwaardige gedraging op die qua duur – zoals voorgesteld – afhankelijk kan worden gesteld van de mate waarin hij de bijstandsafhankelijkheid door zijn gedrag heeft versneld. Dat belanghebbende ook na bijstandsafhankelijkheid zijn bestedingspatroon voortzet, levert in beginsel geen verder maatregelwaardig gedrag op, het beïnvloedt zijn verdere bijstandsafhankelijkheid in beginsel niet, waardoor voortzetting van het gedrag ook niet met een maatregel kan worden gesanctioneerd.
Derde en vierde lid
In geval van recidive wordt niet de duur van de maatregel verlengd met een maand maar wordt de hoogte van de maatregel verdubbeld. Lees voor een nadere toelichting over het begrip recidive de toelichting bij artikel 8, tweede en derde lid.
Hoofdstuk 5.
Artikel 13.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelverordening gemeente Arnhem