Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 6.

Indeling in categorieën

Onderdeel van Maatregelverordening gemeente Arnhem

De gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling negatief beïnvloeden worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Eerste categorie De eerste categorie onder 1 betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Inschrijving bij het UWV is voor belanghebbenden met perspectief op de arbeidsmarkt van het grootste belang. Het niet verlengen van een inschrijving bij het UWV wordt als minder zwaarwegend gezien voor belanghebbenden waarvoor het inzetten van re-integratie-instrumenten niet zinvol wordt geacht. Voor deze belanghebbenden komt het erop neer dat zij voor het niet verlengen van de inschrijving bij het UWV geen maatregel opgelegd krijgen. Tweede categorie De gedragingen uit de tweede categorie hebben betrekking op de plicht tot arbeidsinschakeling. Onder 1 betreft het de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. Met het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" wordt bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: parttime of fulltime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Ook arbeid als zelfstandige kan “algemeen geaccepteerde arbeid” zijn. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zijn bijvoorbeeld prostitutie en onder omstandigheden werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen. Arbeid tegen een loon dat lager is dan het minimumloon is evenmin "algemeen geaccepteerd". Onder 2 gaat het zowel om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen, als om niet verantwoorde beperkingen die de belanghebbende stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid. Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt, de wijze waarop hij/zij zich kleedt etc. . Onder 3 wordt gedoeld op die situaties waarin een belanghebbenden die zich reeds zodanig coöperatief heeft opgesteld dat hij in een traject/voorziening zit, zich niet aan de regels m.b.t. dat traject/die voorziening houdt. Het gaat om een als licht aan te merken gedraging, bijv. te laat komen. Een dergelijke gedraging meteen zwaar bestraffen met een fikse maatregel volgens categorie 3 is buitenproportioneel en zal in dergelijke gevallen ook slechts demotiverend werken. Toch kan het nodig zijn in dergelijke situaties een duidelijk signaal af te geven dat de verplichting om trajectafspraken na te komen wel nageleefd moet worden. Voor deze situaties is deze maatregelcategorie bedoeld. Derde categorie In de derde categorie onder 1 gaat het om gedragingen die indirect of direct tot gevolg (kunnen) hebben dat de bijstandsafhankelijkheid zonder noodzaak langer voortduurt . Het gaat hier om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling ernstig verminderen of zelfs onmogelijk maken. Hieronder valt het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (waaronder sociale activering) en het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling of aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak. Dit vloeit voort uit de verplichting tot arbeidsinschakeling die de belanghebbende op grond van artikel 9 Wwb bij aanvang van de uitkering (of later) krijgt opgelegd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken die gericht zijn op (onderzoek naar) de arbeidsinschakeling, verschijnt of opdrachten in het kader van een scholing, traject of plan van aanpak niet naar behoren uitvoert. Ingevolge artikel 44, vierde lid van de Wwb wordt bij het besluit tot toekenning van algemene bijstand aan belanghebbenden jonger dan 27 jaar een bijlage gevoegd met een plan van aanpak. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet valt ook onder de derde categorie. Het niet meewerken aan de uitvoering van het plan van aanpak kan, afhankelijk van de vraag aan welke verplichting precies niet meegewerkt wordt, ook in één van de andere categorieën vallen. Onder 2 en 3 gaat het om gedragingen die een directe relatie hebben met het ontstaan of het voortduren van de bijstandsafhankelijkheid. Onder 2 betreft het het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid (voor de definitie hiervan wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede categorie) dan wel gesubsidieerde arbeid. Het moet hierbij gaan om een concreet aanbod. Onder 3 gaat het om verwijtbaar niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens werkweigering of ontslag op eigen verzoek, dan wel het verwijtbaar niet behouden van gesubsidieerde arbeid. Ook voor een beëindigende zelfstandigen die een beroep op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) doet, kan dit aan de orde zijn, namelijk wanneer de noodzakelijke bedrijfsbeëindiging wegens niet levensvatbaarheid van het bedrijf veroorzaakt is door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld door een slechte betalingsmoraliteit of onverantwoorde hoog uitgaven patroon). Beide gedragingen kunnen plaatsvinden tijdens de bijstandsverlening, maar ook daaraan voorafgaand. Tijdens de bijstandsverlening zijn de gedragingen verwijtbaar op grond van het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen, te weten de verplichtingen van artikel 9 Wwb. Voorafgaand aan de bijstandsverlening vloeit de verwijtbaarheid voort uit de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Deze verantwoordelijkheid impliceert de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid te behouden of te accepteren en zo te voorkomen dat men bijstandsafhankelijk wordt. Schiet men in deze verantwoordelijkheid tekort dan is dat een verwijtbare gedraging van de derde categorie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel