**1..** Bovengrondse objecten worden onderverdeeld in 3 categorieën. Bovengrondse objecten van de categorie 1 zijn niet breder dan 50 cm, niet dieper dan 30 cm en niet hoger dan 80 cm. Die van categorie 2 zijn breder dan 50 cm of hoger dan 80 cm, maar niet breder dan 100 cm, niet dieper dan 30 cm of niet hoger dan 100 cm. Bovengrondse objecten die niet onder categorie 1 of 2 vallen, vallen onder categorie 3.
**2..** De exacte plaatsbepaling van alle bovengrondse objecten gebeurt in overleg met de opzichter. De opzichter wordt door de aanbieder in de gelegenheid gesteld aanwezig te zijn bij de daadwerkelijke plaatsing of aanpassing van de bovengrondse objecten. Alle benodigde vergunningen of ontheffingen voor plaatsing of aanpassing van bovengrondse objecten worden op het eerste verzoek aan de opzichter en de overige bevoegde personen of instanties ter inzage overhandigd.
**3..** Bij de plaatsbepaling en aankleding van bovengrondse objecten van de categorie 1 en 2 worden in ieder geval de volgende voorschriften en afwegingskaders in acht genomen, waarbij geldt dat voor bovengrondse objecten van de categorie 2 de voorschriften en afwegingskaders strikter toegepast worden:
de plaats van de objecten belemmert het uitzicht van direct omwonenden niet noemenswaardig;
de plaats van de objecten levert geen gevaar voor het verkeer op;
de plaats van de objecten levert geen gevaar op voor de goederen en bezittingen van derden;
de objecten worden afgewerkt in een voor de betreffende wijk voorgeschreven kleur en de zichtkanten worden voorzien van een anti-wildplaksysteem en/of anti-graffiticoating;
de plaats van de objecten levert geen noemenswaardige verstoring op van het gebruik van de openbare ruimte.
**4..** Bij de plaatsbepaling en aankleding van bovengrondse objecten van de categorie 3 worden in ieder geval de volgende voorschriften en afwegingskaders in acht genomen:
de plaatsbepaling van de objecten vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats;
de aanbieder geeft, voor zover dat technisch mogelijk is, alternatieve locaties voor de plaatsing van de objecten ter beoordeling aan het college door;
de plaats van de objecten belemmert het uitzicht van direct omwonenden niet noemenswaardig;
de plaats van de objecten levert geen gevaar voor het verkeer op;
de plaats van de objecten levert geen gevaar op voor de goederen en bezittingen van derden;
de objecten worden afgewerkt in een voor de betreffende wijk voorgeschreven kleur en de zichtkanten worden voorzien van een anti-wildplaksysteem en/of anti-graffiticoating;
de plaats van de objecten levert geen noemenswaardige verstoring op van het gebruik van de openbare ruimte;
groenvoorzieningen en speelplaatsen worden zoveel als mogelijk gespaard;
het college bepaalt bij alle te plaatsen bovengrondse objecten van de categorie 3 in hoeverre de omwonenden bij het proces van plaatsbepaling en afwerking, binnen de door de wet gestelde beperkingen, betrokken kunnen worden;
de uit de Wet milieubeheer voortvloeiende eisen worden nageleefd;
de uiterlijke verschijningsvorm van de bovengrondse objecten voldoet aan redelijke eisen van welstand.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.2
Artikel 2.2.10
Bovengrondse objecten
Onderdeel van Beleidsregels betreffende het aanleggen, in stand houden, verplaatsen en verwijderen van kabels en leidingen Amersfoort 2009